Katendrecht

Katendrecht

Katendrecht

TATTOO WILLY: EEN LEVEN OP KATENDRECHT EN OP ZEE

Tattoo Willy tatoeëerde op Katendrecht in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Hij werkte er ongeveer in dezelfde tijd als Albert Cornelissen. Hij heeft ruim 25 jaar op Katendrecht getatoeëerd maar hij was ook vaak weg. Dan zat hij op zee, vertellen zijn dochters Henny en Tilly van Ommeren.

Het is gezellig druk in Café De Pijp. Henny en Tilly komen niet vaak meer op Katendrecht maar samen met hen willen we de oude tijden van weleer nog een keer laten herleven. De tijd dat hun vader Tattoo Willy op Katendrecht tatoeëerde.
Willy was een telg uit de Rotterdamse redersfamilie Van Ommeren. “Dat was een gegoede familie en ze waren zwaar christelijk” zegt Henny. “Hij kwam uit een gezin waar tatoeëren niet mocht. Hij was een buitenbeentje, is er gewoon tussen uit geglipt om te gaan tatoeëren. Dat vond hij zo prachtig om te doen.”

GEBOREN ROTTERDAMMER

Net als Cornelissen was Willy veel op zee waar hij ook tatoeëerde.
“Op 14-jarige leeftijd is hij gaan varen” vertelt Tilly. “Toen was hij al bezig met tatoeëren, daar is hij mee begonmnen in 1927. Hij is geboren in 1912 op de Schiedamsedijk en 83 jaar geworden. Hij is een geboren en getogen Rotterdammer. Vroeger woonde hij in de Van Haasterenstraat, toen is hij naar de Veerlaan gegaan. Hij heeft eerst de zaak van Cornelissen gehuurd toen deze op reis ging. Later heeft hij het overgenomen en daarna is hij een shop begonnen op de Brede Hilledijk.”
In de oorlog heeft hij ondergedoken gezeten in verschillende Rotterdamse huizen. Er wordt ook veel verteld dat hij in een caravannetje heeft gezeten bij de Rotterdamse haven. “Hij had zijn voetje in de asla gezet en toen kwamen de Duitsers” vertelt Tilly. “Toen namen ze hem niet mee. Hij verzon van alles om er onderuit te komen”.
“Hij was niet vaak thuis” voegt Henny eraan toe. “Hij was soms lang van huis, soms zes weken, dan weer drie maanden, ook wel eens een heel jaar. Hij zat op de grote vaart, dan ging hij van de boot af, was er ruzie geweest of kon hij geen nieuw schip vinden. Dan bleef hij een paar maanden ergens hangen, in India, Australië. Zijn koffer met tatoeëerspullen had hij altijd bij zich. Die is ’n keer gstolen geweest. De machientjes had hij zelf gemaakt, die laadde hij op met een accu. Hij tatoeëerde als hij ergens aan wal was. Hij moest zo zien te overleven. Hij zat een keer in Brisbane en wilde dat wij naar hem toe kwamen. Dat hebben we niet gedaan.”

DRAAIORGELS

Willy was geen doorsnee man, zeggen beide dochters. “Hij was geen huiselijke man. Hij had nooit rust. Hij is drie keer getrouwd geweest. Wij zijn uit zijn tweede huwelijk. Toen hij een jaar of 40 was is zijn zoon verdronken, die was toen 18. Daarna is hij nooit meer dezelfde geworden. Hij is daar nooit overheen gekomen, hij is daarna een vreemde man gebleven. Maar hij sprak daar nooit over. We lieten hem in zijn waarde, drongen er niet op aan om daar over te praten. Misschien kun je wel zeggen dat hij op de vlucht was want als hij weer in Rotterdam was, zei hij: ik ben blij als ik weer weg ben. Zelf vond hij dat hij een moordleven had. Maar je kunt wel zeggen dat we een rare vader hebben gehad, we hebben hem erg gemist want hij was er nooit. Hij is nooit op een ouderavond geweest”.
Henny en Willy omschrijven Willy als een echte kunstenaar. Ze wijzen op het kleine draaiorgel boven de deur van café De Pijp. “Die heeft hij gemaakt. Hij kon alles met zijn handen. Die prachtige ornamenten op het orgel, daar heeft hij misschien wel jaren over gedaan. Die draaiorgels waren zijn grote hobby. Hij draaide vooral draaiorgelmuziek in zijn shop. Hij kon mooie dingen maken. En hij nam van zijn reizen van alles mee, dan werden we ineens ’s nachts wakker gemaakt. Kwam hij met een pet op binnen met een grote zak in zijn hand. Daar zat van alles in voor ons. Er kwamen bv. poppen uit. En dan lachte ie naar ons met zijn bruine kop, het was een knappe man En vervolgens ging hij vertellen over de reis, wat hij allemaal had meegemaakt”.

ZUINIG OP TEKENINGEN

En hij was natuurlijk niet alleen kunstenaar in het maken van draaiorgels. Hij kon goed tekenen en tatoeëren. “Hij tekende adelaars, indianenkoppen, tijgers en zeemeerminnen” vertelt Henny. “Daar was hij erg trots op. Hij was zuinig op die tekeningen. Zelf was hij van onder tot boven getatoeëerd, zelfs zijn handen. Net als Cornelissen.. Hij was in die tijd echt een bezienswaardigheid, nu is het mode. Toen hij eens in het ziekenhuis lag, vroegen de verpleegsters aan ons: wat is dat met je vader. En dan zeiden wij: hij is tatoeëerder”. Henny en Tilly herinneren zich nog goed de mooie kleuren die hij uit verre landen meenam. “Die haalde hij uit India. Hij had prachtig rood, prachtig blauw en groen bijvoorbeeld. Dat ging hij allemaal op zijn eigen armen uitproberen. Tegen ons deed hij er heel geheimzinnig over maar hij vertelde ons wel dat hij in India stippen bij vrouwen op het voorhoofd had getatoeëerd, het derde oog. Tegelijkertijd deed ie heel stoer, waarschijnlijk had veel met die zeebonken omging. Die kwamen uit Noorwegen, Denemarken, Zweden. Ze kwamen meteen uit de haven naar hem toe.Hij wilde niet dat wij daarbij kwamen want er hing vaak een grimmige harde sfeer en er werd veel gezopen. In wezen was hij echter niet stoer, was het een hele gevoelige man. Maar hij vond zichzelf een geweldige tatoeëerder, hij zei dat hij de beste was maar dat zeiden ze allemaal”.
Willy had met een paar tatoeëerders contact. “Willy was erg gesteld op Tattoo peter”zegt Henny. “Ze werkten in dezelfde tijd. Ze leerden van elkaar. Later had hie goed contact met jan Born. Die is ook nog op de begrafenis geweest”.

KLEIN EN SCHOON

De zeelui kwamen vanuit de haven direct naar de shop van Willy. Henny: “In de rij beneden stonden ze te wachten, tjonge, tjonge, dat ging de hele dag zo door. Hij heeft er veel geld aan verdiend, een tattoo kostte toen 25 a 35 gulden en hij had een huurtje van 165 gulden. Maar hij gaf het meteen weer uit in de kroeg, hij is er zo niet rijk van geworden. ’s Middag had hij getatoeëerd, ’s middags was het al op. Hing er op het raam een bordje: ik ben er even niet”.
Beide dochters omschrijven zijn shop als klein, helder en schoon. Maar het was geen hypermoderne shop zoals de studio’s van tegenwoordig. Tilly: “Het was voor die tijd heel netjes. Hij maakte alles keurig schoon. Hij was altijd aan het schoonmaken met bleekwater. Het was ouderwets maar niet vies. Hij had er een emmer met sponzen staan. Het water was schoon. Hij was heel erg bezig met dethol. Je moet het zien als iets heel ouderwets natuurlijk, het was allemaal nog behelpen. Hij had een grote keukenrol hangen, daar werd de arm mee schoongemaakt.” Het was aboluut niet donker zoals in andere shops, vervolgt Tilly. “Hij had zijn voorbeelden aan de muur hangen zoals in elke shop gebruikelijk was. Voor de muur stond een bureua met een stoel ernaast. Aan de andere kant van de shop stond een houten bank voor klanten die moesten wachten.”
Henny: “Als er iets kapot was zoals de naalden bijvoorbeeld, had hij er vreselijk de pest in en hadden we geen leven thuis. Hij repareerde en soldeerde alles zelf. Aan de muur hingen zijn voorbeelden. Dat waren allemaal eigen tekeningen. Hij tekende niet na van flashes. De anderen deden dat wel . Daar was hij trots op, dan zei hij tegen ons: ze doen het tegenwoordig allemaal met plaatjes, ik doe het uit mijn hoofd. Hij had ook geen hulp in de studio zoals bv. Ramon en Dick die ook hun vrouw in de zaak hadden. Die zaak van Dick was veel groter, hij had mooi licht. Willy deed alles alleen. Hij was trots op de kleuren die hij tatoeëerde, die liet hij zien door ze zelf op zijn arm te tatoeëren”.

AVONTUURLIJK

Tilly en Henny herinneren zich ook nog wel dat de sfeer op Katendrecht erg gemoedelijk was. Ze hebben ook nog een beeld van de andere tatoeëerders die indertijd op Katendrecht werkten. Henny: “Als kind liepen we langs die zaken. We vonden het prachtig. Bij Tattoo Dick was het heel luxe. Die deed alles samen met zijn vrouw, die ging ook niet drinken zoals mijn vader. Mijn vader was meer avontuurlijk. Bij mijn vader was het klein maar bij Cornelissen ook en daar was het tevens donker. Tattoo Jack zat in een witte jas te tatoeëren. Als een dokter. Dat vond Willy helemaal niks. Hij kon absoluut niet met Jack opschieten. Dat kun je je wel voorstellen. Mijn vader was anders, hij zat in een spijkerboek en een geruit houthakkersoverhemd te werken en rookte onder het tatoeëren gewoon een shaggie”. “Als kind was het leuk, het was niet gevaarlijk” voegt Tilly eraan toe. “Van die hoeren kregen we centen en mochten boodschappen voor ze doen. Er heerste een hele fijne gezellige sfeer !!! Die hoeren waren gewoon tof, hoor, ze waren helemaal niet onaardig. Vroeger was het een soort dorp, je kon er als kind ’s avonds laat gewoon een zakkie patat gaan halen om elf uur. Want iedereen lette op elkaar”.
Henny en Tilly hebben ook Tattoo Jack meegemaakt. “Dat was een hele slimme man”zegt Henny. “Die dronk niet zoals mijn vader en hield zijn geld goed bij elkaar. Mijn vader leefde er maar op los, hij was een echte avonturier. Hij was een tevereden man, hij hoefde geen mooie huizen. Hij was blij als hij ’s middags wat kon drinken, hij was geen type als al die anderen die flink geld hebben verdiend. Je kunt niet zeggen dat Willy een beter leven had gehad als hij achter het geld had aan gezeten. Hij heeft zijn leven geleefd zoals hij het zelf wilde. ”
Op een gegeven moment moest de studio weg. “Dat ging hem heel erg aan het hart, dat wilde hij niet” zegt Hennie. Maar Willy werd te oud. Hij bleef op de Kaap wonen. “Er werd altijd goed voor hem gezorgd. Hij had het goed” zegt Henny. “Hij wilde geen verzorging in een tehuis. Dat moesten wij allemaal doen en dat hebben we ook gedaan”.

EEN OUDE VRIEND

Tijdens ons gesprek met Henny en Tilly van Ommeren, is Rob Taans binnen gekomen, een oude vriend van Willy. Hij is eerst door Willy getatoeëerd en toen Willy ermee ophield door Ramon.
“Willy was een heel goed mens, hij stond klaar voor iedereen” vertelt Rob. Hij herinnert zich nog dat hij een jaar of 16 was toen hij met zijn broer zijn eerste tattoo bij Willy ging halen. “Dat mocht niet van onze ouders. We hebben de woorden ‘vader en moeder’ door hem laten zetten. Toen konden ze er niks meer van zeggen. Ik ben nog steeds trots op de tattoos die ik heb laten zetten, ik heb er geen spijt van”
Ondertussen laat hij de tattoo op zijn rug zien. “Ik kwam regelmatig in zijn shop aan de Brede Hilledijk. Het was er gezellig en altijd druk. Ik heb een vrouw op mijn rug staan. Een vrouw met een handdoek om. Ik heb hem zelf getekend want ik kan zelf ook tekenen. Willy heeft hem verder uitgetekend en ‘m in twee dagen getatoeëerd. Dat was in 1973. Ik zat op ’n stoel terwijl hij me tatoeëerde. Hij gebruikte ouderwetse kleuren. Die zijn nu nog gaaf. Ik heb een stuk of zes tattoos van Willy”.
Willy was een goede tatoeëerder, vindt Rob Taans. “Ik denk dat hij het tatoeëren op zee heeft geleerd” zegt hij. “Maar niemand weet dat zeker want hij heeft het er nooit over gehad. Ik vond het jammer dat Willy met tatoeëren stopte, maar hij werd te oud. Toen ben ik naar Ramon gegaan. Mijn tattoos zijn een mix van die van Willy en die van Ramon. De laatste heeft veel zeilschepen bij me getatoeëerd. Nadat hij gestopt was, bleef hij nog wel in zijn stamkroeg komen. Dat was café Katendrecht, gelegen aan de Veerlaan aan het begin van het schiereiland. Daar ging ik met Willy vaak een biertje drinken”.

LIEF EN LEED OP DE KAAP

Na ons bezoek aan café De Pijp, gaan we bij de studio van Jan Born langs, een Rotterdamse tatoeëerder die vroeger vaak rondhing in de shops van Willy en Ramon. Flashes van Ramon hangen bij hem in de studio. Hij heeft ervoor gezorgd dat de voorkant van Willy’s shop te zien was in verschillende musea en bij exposities over Katendrecht zoals ‘Lief en leed op de Kaap’ (Schielandhuis, 2004).
“Ik ging zondagmiddag altijd op de brommer naar de Kaap, later met de auto” vertelt Jan Born. “Dan ging ik bij Willy een bakkie doen. Als ie niet in het café zat. Later moest ik altijd naar zijn woonhuis boven. Zat ie daar draaiorgels in elkaar te zetten, miniatuurdraaiorgels. Daarin zat een cassette met draaiorgelmuziek. Ik zat niet echt bij hem in de leer, je ging toen niet bij een andere tatoeëerder in de leer zoals nu. Toen was het moeilijk informatie te krijgen en Willy zei nog wel eens wat, met hem kon je ouwehoeren. De anderen zeiden niks, die dachten dat er zo concurrentie kwam”.

HERMAN DE BOER

Het is niet duidelijk van wie Willy zelf het tatoeëren heeft geleerd maar waarschijnlijk heeft hij voor de Tweede Wereldoorlog rondgehangen in de shop van Herman de Boer, de eerste tatoeëerder in Rotterdam, die ook Albert Cornelissen heeft getatoeëerd. Jan Born: “Willy heeft een paar tattoos van Herman de Boer. Hij had vrouwenkoppies op zijn handen, die waren van Herman de Boer. In die tijd werden alleen handen, onderarmen en het midden van de borst getatoeëerd omdat je nog geen T-shirts had, alleen overhemden. Als je een tattoo nam, kon je hem alleen laten zien door je mouwen op te stropen en je overhemd open te zetten”.
Herman de Boer werkte niet op de Kaap maar op de Schiedamsedijk. “Hij tatoeëerde in een ruimte naast een kroeg. Aan het eind van de Schiedamsedijk had je het Rooie Zand. De ene helft was een discotheek ‘De Kosmopoliet’, waar beroemde Amerikaanse jazzmusici optraden. Het achterste deel heette het Rooie Zand, daar was de tippelzone. Er was een afscheiding tussen de kroeg en het tattoogedeelte. Herman de Boer werkte met een accu omdat er geen elektriciteit was.”

HOND OM AF TE SCHRIKKEN

Als je bij Willy binnenkwam kon je of naar boven of naar beneden. “Het was echt zo’n portiekwoning” vertelt Jan. “Net voordat de trap naar boven ging, had je een kleiner deurtje aan de rechterkant, daar ging je door. Via twee treetjes naar beneden kwam je in de shop. Boven was de woonruimte. Hij woonde boven de zaak. Hij had daar hele partijen oude klokken. Het duurde soms drie uur voordat ze allemaal uitgeslagen waren. Ze hingen niet in de shop.” Hij had een hondje in de zaak, weet Jan zich nog te herinneren. “Als die blafte, riep Willy naar boven: Kees, hou die hond eens vast maar er stond niemand boven. Dat deed ie alleen maar om mensen af te schrikken die wat slechts in de zin hadden. Want hij was ’n keer aangevallen”.

KOFFIEFILTERS

Jan Born bevestigt het verhaal van Henny en Tilly van Ommeren dat Willy nooit tekeningen van ’n ander gebruikte. “Het enige dat hij had, was door hemzelf getekend. De voorbeelden plakte hij op een stuk bord aan de muur en die had hij ingelijst. Hij had niet meer dan 20 voorbeelden aan de muur hangen. Dat waren ontwerpen van een ondergaande zon, ’n zeemansgraf, autootjes, vogeltjes, het was allemaal heel simpel. Hij had zo’n binnenloopzaakje. Rug of armstukken zette hij niet”.
Willy drukte de voorbeelden over op koffiefilters. Hij had laden vol met filters. “Jan legt ons uit waarom hij dat deed. “Zo’n koffiefilter valt lekker om de arm want het is zacht papier. En je kunt ze meermalen gebruiken om af te drukken. Willy gebruikte daar carbonpapier voor. Hij had een stuk papier, daar had hij carbon onder liggen en daaronder een filterzakje. Dan tekende hij op dat papier een roos of een ankertje op en drukte dat dan via de carbon door op de filter. Die gooide hij daarna nooit weg. Zo kon hij meerder keren afdrukken. Dat was de manier waarop hij werkte bij het tatoeëren.”

Tekst: Rik van Boeckel
Foto’s: Prive collectie



TATTOO RAMON: DE SNELSTE VAN DE KAAP

Van de tatoeëerders die van de jaren vijftig tot de jaren zeventig in de Rotterdamse wijk Katendrecht werkten, zijn er nog drie in leven. Eentje werkt er nog: Tattoo Bob, de andere twee zijn allang met pensioen: de 90-jarige Albert Cornelissen en de 70-jarige Tattoo Ramon. Cornelisse woont al jaren in Hamburg. Ramon woont met zijn vrouw Arie nog steeds in Rotterdam. We zochten hen op en lieten hen vertellen over de roemruchte tijden van weleer, onlangs nog tot leven gebracht tijdens de tentoonstelling “Lief en leed op de Kaap”.

Voor de meeste Rotterdammers is de Kaap een legendarische wijk. Voor Tattoo Ramon was het 20 jaar lang de plek waar hij zijn brood verdiende met tatoeëren. Gebogen over oude foto’s , vertelt Ramon over die tijd: “ Ik ben in 1970 begonnen. Ik had als eerste een winkeltje aan de Atjehstraat. Ik zat in hetzelfde rijtje als Tattoo Jack en de Tattoo Bar. Er stonden allemaal oude spullen. Als iemand een driezitsbank had en die was mooier dan bij ons, dan kochten we die. Het was een lange smalle zaak. Er konden 20 man zitten. Als ze moesten wachten konden ze spelletjes doen of op de gokautomaat spelen. Ik zat achterin te tatoeëren. Ik had een heleboel voorbeelden , die hingen allemaal aan de muur met een zwarte lijst eromheen en van dat dikke mika ervoor. Ik tekende alles zelf als ik niet veel te doen had. Voor de klant was het heel overzichtelijk als die tekeningen aan de wand hingen.”

ZIJN VADER TATTOO DICK

Ramon had het vak van zijn vader Tattoo Dick geleerd. “Eerst hielp ik hem in de zaak. Af en toe mocht ik iemand tatoeëren dan kwam hij achter me staan en zei: dat gaat goed. En als ie wel eens wegging, de stad in, zat ik alleen te tatoeëren. Zo ben ik erin gerold. We tatoeëerde van alles: zeilschepen vol opgetuigd, dolken met slangen, zeemansgraven, Japanse Geisha’s, pioenrozen.” Toen zijn vader naar Spanje vertrok, pachtte Ramon de zaak van zijn vader. “Ik werkte onder zijn naam. Maar op het raam stond gewoon Tattoo Dick. Ik moest wel 400 gulden in de week voor de zaak betalen. Onverwachts kwam hij terug en wilde mij eruit gooien. Ik dacht: wacht even, ik weet een ander pandje op de Atjehstraat en ben daar gaan zitten werken. Toen had die ouwe niks te doen. Want ik nam mijn klanten mee, ik had er veel uit het Westland . Al die Westlanders gingen met mee. Dat was rond 1970. “ Ramon nam ook de tekeningen van zijn vader mee. “Ik had ze niet gekopieerd. Ik had ze uitgetekend op transparant papier. Thuis zat ik te tekenen op tekenpapier. Ik gebruikte ecoline kleuren. Ik heb ook nog tekeningen gekocht van Spaulding & Rogers, die heb ik weer overgetekend. Voor de klant had ik alles voorgetekend liggen”.

ZEEMANSGRAF EN PAARDENKOP

Als het te druk werd, riep Ramon de hulp van zijn vrouw Arie in. “Helpen deed ik alleen in het weekend” vertelt zij. “Als de Amerikaanse marinevloot voor anker lag, belde Ramon me op. Ik legde dan de sjablonen klaar. Er ging niemand voor zijn beurt want de sjablonen lagen allemaal op volgorde. Als er een klaar was riep ik bv. zeemansgraf of paardenkop’” ze lacht. “Als de klant klaar was, waste ik ‘m en riep ik: volgende. Dat ging de hele dag zo door. We hadden altijd een drukke zaak. Dat kwam omdat ’t heel gezellig was bij ons”. “Knetterdruk was het” voegt Ramon eraan toe. “Om 7 uur, half acht stonden ze al voor de deur. Om 11 uur was het helemaal vol. De klanten zeiden: “bij de anderen zie je niemand.” Het was zelfs zo dat als ze de weg niet wisten te vinden vanaf de metro, bracht de politie ze. Mijn deur stond altijd open. Dat kan je nu niet meer doen. Zeker niet als ze weten dat je een goeie omzet draait”.

SNELLE MACHIENTJES

Ramon bouwde langzamerhand een goede naam op bij de zeelui die aanmeerden in de Rotterdamse haven en voordat de mannen weer vertrokken haalden ze snel een tattoo. “Die Noren, Zweden en Denen kwamen direct uit de haven het eerst bij mij. Vandaar dat ik het ’t drukst had. Ik was de beste en de snelste. Die zeelui wilden altijd snel een tattoo en ik had hele snelle machientjes. De frames maakte ik zelf van koper. Ik had er zelf gaten in geboord om ze lichter te maken. Bovendien had ik ze laten verchromen. De naalden van toen heb ik nog. Die waren op een kurk bevestigd. Je had geen ogen in die naalden. De kurken waren vrij stroef. Als je lang achter elkaar tatoeëerde, kreeg je er lasogen van. Voor iedere kleur had ik een machine.”

Veel naalden maakte Ramon zelf. “ik maakte ook zelf de machientjes. Ik had dezelfde als Tattoo Peter uit Amsterdam. Ik heb nu nog machientjes uit die tijd. Die zijn nooit gebruikt”. De tatoeëerders in die tijd werkten heel anders als nu. “Er is veel veranderd ten opzichte van toen. Het is schoner. De zaken zijn groter. Wij hadden allemaal oude winkeltjes. Ik had een ultrasonic machine staan met perspexplaatjes erop met gaten erin geboord voor de machientjes. Die vulde ik met water en een flinke scheut dethol erin. Dat loeide de hele dag. Dat water was gewoon heet. Ik had een tekenbak. Als ik klaar was met tekenen, ging de machine in die bak. Ik had een bakkie gemaakt, daar stonden alle machines in en er stonden potjes vol met dethol in. Ieder potje had zijn eigen kleur. De machine ging in het potje, in de dethol. Kwam er een andere klant, dan was de machine brandschoon maar de naalden bleven gewoon in de tattoomachine zitten. Er werden geen naalden gewisseld. Mijn klanten hebben nooit last gehad van infecties, wij hadden stromend water en niet van die vieze bekertjes waarin de naalden van 30 klanten in werden schoongemaakt en emmers met spansen om de verse tattoo schoon te vegen. En als er een stukje van een naald af was, werd er meteen een nieuwe in gezet. Maar dat ging niet bij iedereen zo. Als de GGD langs kwam zeiden zetegen mij: wij zouden willen dat ze allemaal zo werkten als jij. Want ik was de enige die met een ultrasonic machine werkte en met detholpotjes. Ik gebruikte ook uierzalf, terwijl de anderen met vaseline werkten. Die uierzalf haalde ik uit Overschie bij een klein winkeltje dat het aan boeren verkocht.” “ Vaak vroegen ze me of ik veel koeien had en dan zei ik natuurlijk: ja heel veel” voegt hij er lachend aan toe.

TATTOO INTERNATIONALE

Tussen de tatoeëerders op de Kaap was veel haat en nijd. Er was weinig onderling contact. Af en toe was er een meeting waar en hoe ging dat er aan toe, conventies zoals tegenwoordig bestonden nog niet. “In Amsterdam had je Tattoo Peter. En Tattoo Cor op de Dappermarkt. Die zit er nog, die bestaat al 35 jaar. We zijn ooit naar een meeting geweest in het Okura Hotel in Amsterdam. Tattoo Peter was daar, Theo Hartkamp, Alberto uit Antwerpen en Tattoo Cor, een hele aardige man maar hij werd niet geaccepteerd. Wij vonden het niet leuk wat was er niet leuk op die meeting. Ik was ook lid van de Tattoo Internationale wat is dit voor een club. Zij gaven een blad uit waarin van alles stond over tatoeëren van over de hele wereld. Tattoo Jack en Tattoo Bob waren geen lid, die wilden er niks mee te maken hebben.” “Ik heb 20 jaar in mijn studio op de Kaap gezeten” zegt Ramon. “Daarna ben ik naar Monster gegaan. Ik werkte ook nog een paar dagen in de kassen en ben op mijn 62ste opgehouden omdat ik kreeg last van mijn longen.”
En nu op zijn 70ste kan Ramon met een goed gevoel terugkijken op zijn leven als tatoeëerder op de Kaap. De hoogtijdagen liggen al ver achter hem maar de hernieuwde belangstelling voor de tattoo wijk van Nederland bewijst maar weer dat die tijd niet vergeten zal worden.

Tekst: Rik van Boeckel

Foto’s: prive archief Ramon Rob Webster



 

HET ZWERVENDE BESTAAN VAN TATTOO LEGENDE ALBERT CORNELISSEN

‘VAN DE ZEE NAAR KATENDRECHT MET DE CAMPER NAAR DUITSLAND’

Het heeft ons enige moeite gekost de nu 90-jarige Albert Cornelisse op te sporen, de eerste tatoeëerder in Nederland van na de oorlog. Hij is de oudste tatoeëerder van Duitsland en Nederland. Hij woont al jaren in Duitsland, in Hamburg waar hij oa werkte voor Tattoo Günther en Herbert Hoffman.

We treffen hem en zijn Chileense vrouw Virginia in Bambeck, een wijk in het noordoosten van Hamburg. Voor ons zit een man die al een tattoo leven van meer dan 70 jaar achter zich heeft. Hij heeft al zo lang in Duitsland gewoond dat zijn Nederlands doorspekt is met Duitse woorden. Al pratende komen de herinneringen weer naar boven. Maar soms werkt het geheugen niet goed meer en worden de historische feiten wat door elkaar gehusseld. Aan ons de taak om achteraf de puzzelstukjes enigszins bij elkaar te krijgen.

EEN FAMILIE VAN ZEEVAARDERS

Albert Cornelissen werd in 1913 geboren in Rotterdam in de Zwaanshals. Hij liep op zijn 14e al van huis weg, werkte als bakkersknecht tot hij in dienst moest. “Maar ik was ongehoorzaam” vertelt hij, gezeten aan dezelfde tafel waaraan hij een belangrijk deel van leven heeft getatoeëerd. “Ik heb wel eens een luitenant geslagen en toen zat ik twee maanden in de bak in Den Bosch. Ik heb alle bakstenen van de cel geteld. Na het leger ben ik gaan varen. Ik was 20 jaar toen, ik heb uiteindelijk meer dan 20 jaar op zee gevaren. Tot 1953”. Al veel eerder was hij in aanraking gekomen met tattoos. In zijn familie zaten veel zeevaarders. “Die hadden allemaal tattoos. Mijn grootvader had tattoos op beide armen. Mijn ouders zetten die traditie voort. Op hun trouwdag gingen ze naar Hermann de Boer, een tatoeërder die voor de oorlog in Rotterdam werkte. Mijn moeder was 18, die liet een zwaluw op haar bovenarm zetten. Mijn vader nam een kleine tattoo, het deed hem te veel pijn. Ik dacht, man, ik wil ook tattoos. Het begon bij mij al op mijn twaalfde. Samen met vriendjes zette ik mijn eerste tattoos. Met gewone schrijfinkt. En met de hand. Dus die tattoos waren schots en scheef. We gebruikten hele dunne naainaalden. Een jongen zei: je moet Oost Indische inkt nemen, van Talens. Dat hebben we toen gedaan. Die inkt bleef zitten in tegenstelling tot die schrijfinkt. Toen kreeg ik een ster, hier bij mijn hand. In het leger kreeg ik van Piet van der Plaate mijn eerste echte tattoo, een anker op de achterkant van mijn hand. Een paar van mijn tattoos heb ik zelf gezet. Later toen ik 17 was, ben ik getatoeëerd door Hermann de Boer. Hij tatoeëerde mijn onderarmen met veel blauwe kleuren. Hij was zeeman en soldaat geweest. Hij had zich in Japan laten tatoeëren en had het daar zelf ook geleerd. Door de verhalen die hij vertelde over zijn avontuurlijke leven op zee, wilde ik zelf ook zeeman worden”.

TATOEËREN AAN BOORD

Op zee is Cornelissen volgens eigen zeggen zowel stuurman als kapitein geweest. En tatoeëerder. “Ik tatoeëerde iedereen helemaal vol. Niet met een machine maar met de hand. Als we ergens aanmeerden, dan kwamen er mensen van de wal aan boord en die tatoeëerde ik ook. Dat heb ik gedaan in Buenos Aires, in New York. De motieven waren doodshoofden, zeemansgraven. De zeelieden wilden allemaal wijven hebben en de soldaten ook. Ik tekende van de voorbeelden af. Ik zette ook geisha’s en slangen. Ik kocht die motieven voor 60 cent. Ik had er veel van Ron Ackers en van Philadelphia Eddy. Ze waren zwart wit. Ik kleurde ze zelf in. Ik maakte er stencils van . Met een speciaal potlood. Kleurrijke tattoos hadden een lange traditie in mijn familie. Zeelieden wilden ook tattoos in kleur van mij”.

BILL JONES EN CAPTAIN COLEMAN

Zijn zeereizen brachten Cornelissen de hele wereld over: Antwerpen, Liverpool, Athene, Montreal, New Orleans en New York. Hij voer geregeld tussen Liverpool en New York. Daar bleef hij begin jaren veertig een tijd hangen. Hij werkte er als bordenwasser. “Daarmee verdiende ik 2 dollar per dag, dan had ik weer ’n dag te eten. Ik ontmoette een tatoeëerder: Bill Jones. Die kauwde altijd tabak net als ik. Hij vroeg me: kun je tatoeëren. Ja, zei ik. Hij vroeg me er eentje bij hem te zetten. Hij heeft mij weer getatoeëerd: een meisje met leeuwenkop op de rechterdij en op de linkerdij een matrozenmeisje met een grote Amerikaanse vlag.” In 1941 ontmoette Cornelissen eveneens Captain Coleman, een 60-jarige Amerikaanse tatoeëerder uit Norfolk, Virginia. In de belangrijkste straat van de stad bevonden zich naast zeemanskroegen veel tattooshops, oa die van Coleman. “Bij hem kocht ik mijn eerste machine. Op mijn borst, op mijn rug, op zij heb ik tattoos van hem. Ik heb hem een hele onderbroek laten tatoeëren met vissen, schubben en slangen. Rogers en Spaulding, bekend om hun machines, heb ik bij Coleman leren kennen. Zij werkten voor hem. Ik heb niet bij hem getatoeëerd want hij had genoeg tatoeëerders in de zaak. Nee, hij vroeg mij als uitsmijter.En ervoor te zorgen dat er niet gerookt en gedronken werd. Na een tijdje ben ik daarmee gestopt, er waren boksers onder zijn klanten, mijn neus werd steeds platter, dat hield ik niet vol”.

VAN CHILI NAAR KATENDRECHT

Cornelissen is vaak in New York geweest maar ook in Zuid Amerika: in Brazilië, Argentinië, Ecuador en Chili. Een van zijn favoriete routes was die tussen New York en Chili. Daar ontmoette hij Virginia. “Ik ben in 1945 met haar getrouwd, we zijn nu bijna 60 jaar samen”. Hoe hij vanuit Chili na 23 jaar weggeweest te zijn weer in Nederland terecht kwam, is een verhaal apart. “Mijn moeder heeft naar me gezocht en heeft me uiteindelijk via het Rode Kruis gevonden. We zijn toen eerst met de boot naar Rusland gegaan, vervolgens naar Cuxhaven vlakbij Hamburg. Mijn moeder en stiefvader zijn daarheen gekomen. Dat was een groot ‘wiedersehn’. We gingen bij mijn moeder in Bergschen Hoek wonen, vlakbij Rotterdam”. Na een korte pauze vervolgt Cornelissen zijn relaas.“Ik dacht, weet je wat, ik ga eens naar Katendrecht, dan neem ik mijn machientjes mee en mijn voorbeelden. Op één avond verdiende ik 80 gulden. Ik tatoeëerde er voornamelijk zeelieden. Dat deed ik in café Norge. Daar zat ik boven op een etage te tatoeëren. Later was er een vrouw die had een winkel aan de Veerlaan. Ik heb die winkel overgenomen. Als je die winkel binnenkwam en rechtdoor liep, kwam je eerst in een woonkamer, vervolgens in de keuken en de slaapkamer. Boven de vensterbank heb ik een bord opgehangen: tattoo. Zo van, hier wordt getatoeëerd. Het zat elke dag helemaal vol. De huur van de winkel was 6 gulden per week. Toen ik daar begon in Katendrecht, was ik nog de enige tatoeëerder in Nederland”.

ANEKDOTES

Cornelissen omschrijft zijn studio op Katendrecht als slordig. Als een klant moeilijk deed, kwam zijn ervaring als uitsmijter bij Coleman hem goed van pas. “Er was ’n keer ’n Zweed die niet wilde betalen. Ik stond bij de deur, gaf hem een klap en draaide zijn pols om. Virginia stond bij de deur met een knuppel. Hij zei: ja ja, ik betaal. Ik was mijn eigen politie.” Klanten kwamen ook wel eens voor dag en dauw langs. Cornelissen vertelt ons met gevoel voor humor de volgende anekdote: “ ’s Ochtends om zes uur kwam er een groep Duitsers langs. Ik lag nog op bed. Ze bonsten op de deur. Ik riep: ik ben niet thuis. Zij weer; we weten dat je er bent, open maken !!! Dus dat deed ik dan maar. Ze moesten allemaal getatoeëerd worden. Soms zat ik ’s avonds om 8 uur nog te werken. Ik zette veel kleine tattoos maar ook wel grote. Bij de vrouwen moest ik regelmatig namen van geliefden coveren.”

ONHYGIENISCH

In de tijd dat Albert Cornelissen op Katendrecht tatoeëerde, ging het er niet bepaald hygiënisch aan toe. “Met de spons uit de ene emmer werd bijvoorbeeld de arm nat gemaakt, plaatje erop, tatoeëren en schoonmaken met de lap uit een andere emmer” beschrijft zijn neef Tattoo Kees (uit Veendam) de situatie. “De naalden gooide ik alleen weg als ze niet goed meer waren” zegt Cornelissen hier zelf over. Als ze goed waren, gooide ik ze in zeepwater, waste ze en gebruikte ze weer. Ik droeg geen handschoenen. Ik had een schort voor met inkt en bloed. Het water in de meer was na verloop van tijd helemaal zwart. Voor tien mensen gebruikte ik dezelfde spons maar niemand is ziek geworden.” De inkt haalde Cornelissen van Talens, de kleuren kocht hij in New York. “Die kleuren heb ik nu nog, die zijn prima. Voor een flesje inkt betaalde ik toen een paar gulden, nu kost dat 50 euro. De naalden zaten in een pakket van 25 stuks. Ze waren van Sharp. Het waren de fijnste naalden die je kon krijgen, ze kwamen uit Engeland. Ik heb er ooit 5000 besteld, dat kostte me 2 pond, ik soldeerde ze zelf op de machine. Ik had een machine voor 1 naald, voor 3,5 en 7 naalden maar meer niet. Waar vroeger 1 naald inging, gaan er nu 7 a 8 in”.

VAN KATENDRECHT NAAR DUITSLAND

Toen er kinderen kwamen, werd het Cornelissen en zijn vrouw te krap op Katendrecht.. Het was niet de enige reden om te vertrekken. “Ik verdiende veel met tatoeëren. De mensen werden jaloers. Er kwamen ook Canadese soldaten naar me toe. Zij waren in Soest in Duitsland gelegerd . Zij zeiden me: als je naar ons toekomt, kun je veel meer verdienen, we willen allemaal tattoos.” Cornelissen kocht een camper die hij ombouwde tot woonwagen en mobiele tattoo studio. Daarin reisde hij met zijn vrouw en twee kinderen begin jaren zestig door Europa, door Frankrijk, Spanje, Portugal en Duitsland. Daar heeft hij in verschillende steden getatoeëerd. “Ik kwam in Mannheim terecht. In het midden van een rotonde van de autobahn had je een kuil. Aan de overkant had je een eetcafé. Bij de kazerne in de buurt heb ik kaartjes uitgedeeld. Ik heb er veel soldaten getatoeëerd. De cafébaas heeft er ook veel aan verdiend. Hij zei: als je meer geld wilt verdienen, moet je naar Augsburg gaan. Daar had ik een plek op een camping, ook bij de autobahn. Daar zat ik de hele dag Amerikaanse soldaten te tatoeëren.” De motieven die Cornelissen bij hen zette waren voornamelijk adelaars en de Amerikaanse vlag. “Echt Old School. Ze wilden veel plaatjes hebben voor 10 dollar per stuk. Alles ging er in één keer op. Ik was ‘sochtends vanaf 8 uur bezig, ik moest echt zeggen: ik ga slapen. Maar op een slechte dag kwamen er twee dames en die zeiden tegen ons: jullie kinderen moeten hier weg, die kunnen hier niet leven, die halen we weg. Dat hebben ze gedaan. En ze zeiden ook: je kunt hier niet meer tatoeëren. We zijn uitgewezen en teruggegaan naar Nederland. Daar heb in Amsterdam Tattoo Peter ontmoet. We hebben een tijd samen getatoeëerd”.

HAMBURG

Hoe lang hij in Nederland is geweest, kan hij zich niet precies meer herinneren. Maar uiteindelijk is hij met vrouw en kinderen weer teruggegaan naar Duitsland, naar Hamburg. Totdat hij in Hamburg terecht kwam, had Cornelissen een zwervend bestaan geleid maar sinds hij daar eind jaren zestig terecht kwam is hij niet meer weggeweest. “Ik heb daar eerst op de Bahnhof en op het spoor van de S-Bahn gewerkt. Al vrij snel nodigde Herbert Hoffman me uit bij hem te komen tatoeëren op de Hamburger Berg, een zijstraat van de Reeperbahn. Maar ik heb ook heel vaak hier thuis getatoeëerd aan deze tafel waar we nu zitten te praten”. Veel van de spullen waar Cornelissen mee heeft gewerkt, zijn nog steeds in zijn bezit. Hij laat ons de voorbeelden zien die hij ooit van Ron Ackers en Philadelphia Eddy had gekocht. En de machines, zowel de moderne als de oude. Sommige heeft hij zelf gemaakt. “Ik heb er nog steeds spoelen voor en pijpjes”. Hij laat ons een paar spoelen zien. “Deze zijn geluidloos, zijn sterker dan die van de oude machientjes”.

INDRUKWEKKEND

Toen Cornelissen 73 was, werd hij de oudste tatoeëerder van Hamburg en van Duitsland. “Maar ik heb nog bij Günther gewerkt tot ik 80 jaar was. Toen vond ik het genoeg. Ik verkocht daarna echter nog wel tattoo machines voor 200 mark. Dat liep heel goed.” Zijn zoon Alby is daar verder in gegaan en heeft hele moderne machines ontwikkeld en is ook een studio begonnen. En hoewel Albert Cornelissen op zijn hoge leeftijd niet meer tatoeëert, kan er nog steeds nog weel een tattoo bij. Het is sowieso indrukwekkend om het volgetatoeëerde lijf van Cornelissen te mogen aanschouwen. Ook zijn vrouw laat zich niet onbetuigd. Zij heeft de ziekte van Alzheimer en weet soms niet meer waar ze is. Maar ze weet wel dat wij ons voor tattoos interesseren en laat ze ongevraagd aan ons zien. Albert wenkt ons tenslotte: “Kijk, deze ster heeft mijn zoon erop gezet. Hij wil ook gaan tatoeëren. Ik heb gezegd: dan mag je het op mij uitproberen”.

Tekst: Rik van Boeckel

Foto’s: diverse prive collecties



 

TATTOO BOB: DE ENIGE OP DE KAAP

“De techniek van het tatoeëren had ik snel door”

In de vorige nummers hebben we verslag gedaan van onze gesprekken met Albert Cornelissen en Tattoo Ramon, twee tatoeëerders die ooit op Katendrecht werkten maar allang met pensioen zijn. In deze laatste aflevering komt Tattoo Bob aan het woord, de enige tatoeëerder die nog op Katendrecht te vinden is. Niet echt de enige want in zijn studio aan het Deliplein werken ook zijn zoons, dochter en schoondochter.

Overal in Rotterdam zijn de gele borden met de naam van Tattoo Bob te zien. Als we hem opzoeken in zijn studio aan het Deliplein, nodigt hij ons uit een wandeling te maken door Katendrecht en naar de plek waar hij begonnen is met tatoeëren. Vroeger was Katendrecht een levendige wijk, nu is het tamelijk rustig. Naast de tattoo shops zaten er Chinese winkels en ook de prostitutie maakte een belangrijk onderdeel uit van de wijk. “Dit was een schitterende wijk. In feite hebben ze het helemaal verknald” vertelt Bob als we van het Deliplein naar de Brede Hilledijk wandelen. “Ze hadden de prostitutie hier beter kunnen concentreren, nu is het zo verspreid dat je er geen vat meer op hebt”. Hij wijst de plek aan waar Albert Cornelissen begin jaren 60 in zijn caravan heeft zitten werken.

BREDE HILLEDIJK

Als we de Brede Hilledijk oplopen, groet Bob een goede bekende, de nu 60-jarige karateka Joop Verschoof. Hij is vier keer Nederlands kampioen geweest en getatoeëerd door Bob. Hij heeft een Japans teken op zijn arm. Het betekent “Uiterste waarheid, samenwerking” legt hij uit. Samen lopen we naar Brede Hilledijk 211. “Hier ben ik begonnen rond 1970” vertelt Bob. “Je ziet ’t nu niet meer, maar dit was een keldertje. Die was een meter of tien diep en een meter of drie breed. Op wat nu een bruine muur is, hing een bordje met Tattoo Bob. Je ging naar binnen via twee klapdeurtjes, daarachter ging je een trap af. Iedereen stootte zijn kop. Toen ik begon, had ik nog niet veel klanten. Er kwam ook wel eens een hele dag niemand. De meeste klanten waren zeelui”. Lopend over de Brede Hilledijk en de Sumatrastraat vertelt Bob welke tatoeëerders op welke plek hebben gezeten. Veel van de oude tattoo shops zijn weg gerenoveerd. Hij wijst later naar een dichtgetimmerd raam op het Deliplein. “Daar werkte Tattoo Cannon. Die is nu dood”. Het bord boven zijn eigen studio valt ook meteen in het oog. “Dat bord is 35 jaar oud, het is nog steeds mijn eerste bord. Dat laat ik hangen, al valt het bijna van de muur. Want het heeft me geluk gebracht”.

TECHNISCH

Staande voor het raam van zijn studio, vertelt Bob hoe hij begonnen is. “Ik kom eigenlijk niet uit Katendrecht, maar uit Rotterdam-Zuid. Ik kom niet uit een tattoo familie maar ik was altijd gefascineerd door het maken van tekeningen. Die hele cultuur rond het tatoeëren , heb ik altijd mooi gevonden. En dan de warmte van de wijk Katendrecht. Ik voelde me daar thuis. Mijn vader had een vriend, dat was Tattoo Dick. Heel vroeger werkte die voor het controle bedrijf van mijn vader in de haven. Tattoo Dick heeft mij het vak geleerd. Via hem ben ik er ingerold. Ik was 21 toen ik begon. Ik ben vrij technisch. De techniek van het tatoeëren had ik snel door. Ik kon al heel snel iets in elkaar zetten. Ik heb de machientjes altijd zelf gemaakt of ik veranderde bestaande machientjes. Ik heb hier een atelier. Daar maak ik tevens de piercings, van hangertjes tot ringen en tongstaafjes. Het piercen doe ik niet zelf. Dat doen Ralph en Deborah, zij is de piercing queen van de zaak”. Door zijn achtergrond als sportmasseur, heeft Bob goed oog voor het medische gebeuren van het tatoeëren. Hij was de eerste die op Katendrecht het belang van een goede hygiëne inzag. “ Ik was de eerste tatoeëerder in Nederland die 20 jaar geleden een rookverbod in mijn zaak instelde. Nicotine is namelijk schadelijk voor het sterilisatieproces. Alcohol heb ik ook niet toegestaan. Mensen moeten clean binnenkomen. Honden worden evenmin binnengelaten”.

TATTOO FAMILIE

Het kon er vroeger ruig aan toegaan op Katendrecht, vertelt Bob. “Ze zijn wel eens schietend de tent binnengekomen. Dat was een afrekening van een stel pooiers. De kogels vlogen om mijn oren”. Als we de studio binnengaan, vallen de flashes aan de muren meteen op. Bob: “De studio is altijd zo geweest, die is nooit veranderd. De flashes hebben altijd zo aan de muur gehangen, dat is old fashioned. Het is echte nostalgie, daarom wil ik het niet veranderen”. Achter de balie zijn Michael en Ralph, de twee zoons van Bob aan het tatoeëren. Ook Deborah en schoondochter Esther zijn aan het werk. Bob: “Eigenlijk zijn we een hele tattoo familie, want Tattoo Jan uit Breda is mijn zwager. En Jan zijn zoon tatoeëert ook weer”. Bob heeft altijd freehand getatoeëerd. “Dat deed ik al na een jaar” zegt hij. “Van die oude flashes deed ik dat. Tegenwoordig kan een tattoo vrij gecompliceerd zijn, tekentechnisch. Michael zet nu freehand. Michael en Ralph zijn ongeveer 10 jaar terug in de zaak gekomen. Beiden hebben een eigen klantenkring. Michael is de man van de grote stukken en van de cover-ups. Ralph kan eveneens goed coveren en is goed in het zetten van grote tribals. Esther is o.a. heel goed in het zetten van tribals op de onderrug. Die kan ze zetten alsof er een stempel op staat. De echte fineline, heel uniek. Zelf tatoeëer ik veel Old School en tribal. Klanten vragen daar om. Old School vind ik het leukste om te zetten maar in principe doe ik alles, ook Japans.” Omdat het te klein wordt, gaan we de zaak over het hele Deliplein uitbreiden. Daar zijn we nu druk mee bezig. We hebben er drie zaken bijgetrokken”.

ZEELUI EN BOUWVAKKERS

Tot 1980 waren de klanten voornamelijk zeelui en woonwagenbewoners. “Die namen als tattoo een schip, anker, wereldbol, zeemansgraf, de naam van een geliefde”, zegt Bob. “De meeste motieven waren Old School: dolken, messen, rozen, grote harten. Geisha’s zette ik meestal bij niet-zeelui. In de zomer tijdens de bouwvakvakantie kwamen er veel bouwvakkers voor een tattoo. Dat was voor ons een moment suprême. Dan hadden we het zo gigantisch druk. Dat kon je in feite niet aan. Dat was uniek, het was stampvol”. Alle tatoeëerders op Katendrecht, kochten hun spullen bij Spaulding & Rogers. Bob: “Bij hen kon je bestellen wat je wilde: machines, tekeningen. Ik heb nog steeds tekeningen van hen. Ik kocht ze ook van de Picture Machine, dat was een tatoeëerder in de VS. Die tekende heel veel en bracht zijn ontwerpen aan de man in Europa. Spaulding deed daar de distributie voor. Ik tekende zelf ook heel veel. Het maken van een hartje was niet zo moeilijk, een zeeman was daar snel tevreden mee. De kleuren kocht ik ook bij Spaulding. Tribals had je toen nog niet, alleen Old School, daar zaten altijd veel kleuren in”.

VAN BREDE HILLEDIJK NAAR DELIPLEIN

Rond 1980 veranderde er veel op Katendrecht. In de jaren ervoor was de sfeer harder geworden. De bewoners wilden de prostitutie weg hebben. Bob: ”Toen is de kentering gekomen. De prostitutie is van Katendrecht verdreven. En de tatoeëerders vertrokken. Ik ben de enige van de 7 tatoeëerders die is gebleven. Het heeft zichzelf geëlimineerd. De belangstelling voor tatoeëren was in die tijd ook niet zo groot. Er was niet veel te doen. Dat moet je er ook nog bij optellen”. Bob verhuisde van de Brede Hilledijk naar het Deliplein waar hij nog steeds zit. “Ik had toen het voordeel dat 6 van de 7 tatoeëerders wegvielen. Daar komt bij dat Katendrecht toch de naam van het tatoeëren heeft. Het was de tattoo wijk van Nederland. Na 1980 heb ik er qua omzet niet veel van gemerkt dat de belangstelling dalende was. Ik heb alleen maar een stijgende lijn gekend.”

ANDERE KLANTEN

Na 1980 veranderde langzamerhand de clientèle. Bob: “Het aantal mensen dat zich liet tatoeëren steeg. Vroeger waren het de criminelen en de zeelui. Maar nu ontdekten mensen met een betere scholing de markt. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kreeg je de hippies. Die wilden ook getatoeëerd worden. De doelgroep die zich laat tatoeëren werd zo steeds groter.” De bevolkingssamenstelling van Katendrecht veranderde ook. “Er zijn veel Antillianen in de wijk komen wonen. Ik heb daar geen problemen mee. Op dit moment vormen zij zestig procent van mijn klandizie. Ralph spreekt Papiamento. Zo integreren wij van onze kant”.

DUNNERE OUTLINE

Wat tatoeëren betreft kwam er volgens Bob eveneens een kentering.
“Vroeger hadden tattoos vaak dikke lijnen, de outlines waren gewoon dik. Na 1980 kwam er uit de VS heel fijn werk, de fineline. Het werd kunst. Je ging dus zelf ook naar een dunnere outline zoeken. Dus verminderde je het aantal naalden in je machine. Je ging van zes naar drie naalden. De naalden maakte ik net als de machientjes zelf. Ik ben er jaren mee bezig geweest om de techniek van het tatoeëren te verbeteren en een techniek te vinden waarvan je kunt zeggen: dat is acceptabel. Tegenwoordig kun je alles kopen maar dat doen wij niet, wij ontwikkelen en maken alles gewoon zelf”.

Tekst: Rik van Boeckel
Foto’s: Uit het archief van Tattoo Bob, Rob Webster.