Tattoo Planet nummer 2 2017-04-16T07:13:03+00:00

Tattoo Planet nummer 2

Tattoo Planet Nummer 2

Tattoo Planet Nummer 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE TEMPEL VAN DE GOUDEN DRAAK IN ASAKUSA

Willem van Gulik

Dat wij ons nu een goed beeld kunnen vormen van het leven en bedrijf in de oude Japanse hoofdstad Edo, zoals Tôkyô vroeger werd genoemd, is in belangrijke mate te danken aan de traditie van de Japanse kleurenhoutsnede. De Japanse prentkunst kwam tot bloei in de Edo periode (1603-1868), genoemd naar de stad Edo, waar gedurende ruim tweehonderdvijftig jaar de elkaar opvolgende machthebbers uit de Tokugawa-familie als Shôgun de alleenheerschappij over het land voerden. Vooral in de twee eeuwen (ca. 1650-1850), dat Japan zichzelf een politiek van afsluiting van de buitenwereld had opgelegd, ontwikkelde Edo zich tot een hoofdstad met een groot aantal inwoners, die de dragers zouden worden van een levendige stadscultuur en bloeiende economie.

Naast de kleurrijke prenten waarop de populaire helden van het toneel en de portretten van de vrouwelijke idolen en courtisanes uit die tijd werden afgebeeld, werden er ook velerlei scènes van landschappen en stadsgezichten door de uitgevers van Japanse prenten op de markt gebracht. Eén van de meest bekende ontwerpers van de landschapsprent was Andô Hiroshige (1797-1858). Beroemd is zijn prentenreeks met taferelen van de 53 poststations langs de Tôkaidô-route die de verbinding vormde tussen Edo, de residentie van de Shôgun en de keizerlijke hoofdstad Kyôto. Langs vrijwel dezelfde route wordt nu de afstand van ruim vijfhonderd kilometer met de hogesnelheidstrein (Shinkansen) binnen drie uur overbrugd. Van de prentkunstenaar Hiroshige is eveneens zeer bekend zijn serie houtsneden getiteld ‘Honderd gezichten op beroemde plaatsen in Edo’ (Meishô Edo hyakkei). Onder de prenten uit deze omvangrijke reeks die in het algemeen tot de meest sfeervolle en indrukwekkende worden gerekend, behoort zonder twijfel het gezicht op de ‘Tempel van de Gouden Draak’ (Kinryûzan) in de Asakusa-wijk van het oude Tôkyô. Als geen andere is Hiroshige er in geslaagd om het beeld, dat iedere bezoeker wel aan deze bijzondere tempel in de herinnering heeft bewaard, weer op treffende wijze tot leven te brengen op het platte vlak van het Japanse prentmedium. Eén van de metershoge papieren lampionnen, die als opvallende kenmerken van de tempelgebouwen dienen, vult de bovenzijde van de prent waarbij de felrode kleur van de lampion scherp afsteekt tegen het wit besneeuwde décor van het tempelcomplex. (afb. 1). Vandaag de dag wordt deze tempel de Sensôji genoemd, maar hij staat eigenlijk nog meer bekend als de Asakusa Kannon tempel.

Asakusa is de naam van de wijk in het noordoostelijk deel van Tôkyô en gelegen aan de westoever van de brede Sumida-rivier die het oostelijke gedeelte van de stad van noord naar zuid doorkruist. Al sinds de Edo-periode is Asakusa nog steeds een bruisende en kleurrijke uitgaanswijk en een populair centrum van vermaak en vertier. De Asakusa-tempel vertegenwoordigt het hoofdkwartier van de Sho-Kannonsekte van het Boeddhisme, gewijd aan één van de meest bekende figuren uit het boeddhistische pantheon, namelijk de beschermheilige Kannon, godin van de barmhartigheid, van mededogen en genade. (afb. 3, 4, 5).  De geschiedenis van de oorsprong van deze Kannon-tempel gaat tot het verre verleden van de zevende eeuw terug, niet lang nadat de introductie van het Boeddhisme in Japan had plaatsgevonden, omstreeks het midden van de zesde eeuw. Zoals de legende verhaalt, zou het heiligdom toen zijn opgericht door het dorpshoofd Haji no Nakamoto, die zijn eigen huis daarvoor ter beschikking stelde. Hij stelde deze daad, toen de twee gebroeders Hamanari en Takenari van de Hinokuma-familie aan het vissen waren in de nabijgelegen Sumida-rivier en tot hun verbazing een gouden miniatuurbeeldje van de godin Kannon in hun netten aantroffen. Deze opmerkelijke vondst gaf aanleiding tot de oprichting van de Kannon-sekte door de boeddhistische priester Shôkai, die in een droom de goddelijke opdracht kreeg om het beeldje voorgoed in de tempel te bewaren en te vrijwaren van iedere bezichtiging of vertoning. Door de eeuwen heen zou aldus het gouden beeldje van Kannon aan het oog van alle sterfelijken onttrokken blijven en als een mystieke relikwie verborgen blijven op een geheime plaats in de boezem van de Hondô, de heilige Hoofdhal van de tempel. (afb. 2).  Deze Hoofdhal vormt het middelpunt van het Asakusa-tempelcomplex en werd in de zeventiende eeuw gebouwd op last van de derde Tokugawa Shôgun Iemitsu (1603-1651), promotor van het Boeddhisme en een groot aanbidder van de beschermheilige Kannon.

Van alle boeddhistische tempels in Tôkyô is de Asakusa Kannon-tempel strikt genomen de oudste, maar helaas niet de nu nog werkelijk oudst overgebleven tempel, die van vernietiging door de geallieerde bommenwerpers tijdens de Tweede Wereldoorlog bespaard zijn gebleven. Op 10 mei 1945 werd vrijwel het hele tempelgebied in enkele uren platgebombardeerd en in de as gelegd. Het schijnt dat ternauwernood de belangrijkste tempelschat, het gouden Kannon beeldje, in zijn verzegelde doos in veiligheid kon worden gebracht. Na de oorlog werden in verschillende fasen de hoofdonderdelen van de tempel weer opgebouwd. Zo kwam in 1958 de reconstructie van de Hoofdhal tot stand en in 1973 werd de bijna 70 meter hoge pagode op het tempelterrein in zijn oude luister hersteld. Alleen de uit de zeventiende eeuw daterende Shintô schrijn (jinja), vlak ten noordoosten van de Hoofdhal, is nog vrijwel in originele staat overgebleven. Dit tempeltje van Shintô-signatuur staat in de volksmond bekend als Sanja-Sama, oftewel de schrijn van de ‘drie gewijden’, namelijk de drie eerdergenoemde personen, die in de zevende eeuw bij de vondst van het gouden Kannon-beeldje waren betrokken. Met deze Shintô-schrijn is het traditionele ‘Sanja matsuri’-feest nauw verbonden. Dit is een grootscheeps en kleurrijk festival (matsuri) in de Shintô sfeer, dat ieder jaar in het weekeinde dichtst bij de 18de mei wordt gehouden op het Asakusa-tempelterrein. Van oudsher behoort dit festival tot de meest spectaculaire en meest bezochte manifestaties in de hoofdstad. Opmerkelijk is daarbij hoe de inheemse pre-boeddhistische Shintô religie zich op harmonieuze wijze laat verenigen en combineren met de rituelen en ceremoniën die tot de sfeer behoren van het later in Japan vanuit het vasteland ingevoerde Boeddhisme. Nu is dat op zichzelf niet zo verwonderlijk, want behalve in de periode vanaf het einde van de negentiende eeuw tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945, toen het Shintô als staatsgodsdienst en nationalistische ideologie in Japan gold, lopen Shintô en Boeddhisme al eeuwenlang soepel in elkaar over.

Shintô betekent letterlijk de ‘Weg der Goden’ of de ‘Goddelijke Weg’ en is veeleer een soort cultus dan een godsdienst in de ware zin des woords. In Shintô wordt in het bijzonder nadruk gelegd op de verering van de natuur, waarbij de levenskracht als bron van spirituele energie wordt gezien, niet alleen in de verschijnselen van de natuur, maar ook in de wereld van mensen dieren en dingen. De Shintô-beschouwing van de mens is positief en optimistisch, waarbij sterk de nadruk wordt gelegd op het leven van hier en nu. Het kwaad openbaart zich in de vorm van boosaardige, levensvernietigende krachten in het universum. Vandaar dat exorcisme en de rituele reiniging van lichaam en geest in het Shintô een belangrijke rol spelen. De op het animisme lijkende inheemse Shintô-cultus is niet gebonden aan een bepaalde stichter, noch aan bepaalde theologische systemen of dogma’s en kent geen heilige geschriften of heiligenbeelden. In het algemeen kunnen de godheden van het Shintô-pantheon, die als kami worden aangeduid, beschouwd worden als alle ontzag opwekkende elementen in het universum, met de zonnegodin Amaterasu Omikami als de centrale oerouderlijke kami-godheid en beschouwd als de mythologische voorouder van de keizerlijke vorsten van Japan.

De viering van bijzondere jaarlijkse feesten of festivals (matsuri) in Shintô-heiligdommen

(-schrijnen) vormt bij uitstek het moment, dat er een hechte band ontstaat tussen mensen en hun kami-goden. Vrijwel elke van de talloze Shintô-schrijnen in Japan houdt op vaste tijdstippen gedurende het jaar een ceremonieel feest ter ere van algemene kami-godheden of van de specifieke kami, die als schutspatroon van een tempel, stadswijk of dorpsgemeenschap worden vereerd. Zo vindt er jaarlijks omstreeks het midden van de maand mei op het terrein van de overigens boeddhistische Kannon-tempel in Asakusa een festival plaats, geheel in de Shintô-traditie en in het bijzonder verbonden met de reeds eerder genoemde op hetzelfde tempelterrein gelegen Sanja-schrijn, welke gewijd is aan de oorsprongsgeschiedenis van de Asakusa-tempel, die begon met de legendarische vondst van het gouden Kannon-beeldje dat in de netten van de gebroeders Hinokuma was opgevist uit de Sumida-rivier.

Het Sanja-festival in Asakusa trekt jaarlijks ettelijke duizenden toeschouwers naar de Kannon- tempel. Het is een grootse manifestatie, waarbij de bevolking van de Asakusa stadswijk nauw is betrokken en daaraan een actieve bijdrage levert. Het is duidelijk dat het van oudsher hún feest is. Hoogtepunt vormt ongetwijfeld de optocht met een aantal draagbare schrijnen (mikoshi) waarin wordt verondersteld dat de kami-goden van de Asakusa-schrijn tijdelijk plaats hebben genomen om zodoende meegevoerd te kunnen worden naar de omliggende stadswijken, waar zij ook daar hun zegenende kracht konden laten gelden. (afb. 6).

De paar honderd kilo wegende draagbare schrijnen, gemonteerd als een soort palankijn op lange draagbalken, worden op de schouders van een dertigtal dragers meegetorst.

[In] de processie met de schrijn gaat [het] er meestal wild aan toe, gepaard met veel geschreeuw van dragers en omstanders tegelijk, die zich in grote drommen verdringen om de schrijn mee te helpen dragen, overmoedig geworden door de ruime hoeveelheden saké (rijstwijn) die men tot zich heeft genomen. Het laat zich gemakkelijk indenken, dat het voortstuwen en sturen van de zware en logge schrijnen temidden van de mensenmassa’s en dwars door de smalle straatjes van de stadswijken wel eens een gevaarlijke onderneming kan zijn. Bundeling van krachten en een zo goed mogelijke onderlinge afstemming van de bewegingen van de dragers zijn daarbij natuurlijk van groot belang. Zo biedt de optocht met de schrijn een kleurrijk en rumoerig spektakel waarbij alle betrokkenen zich laten verzwelgen in een roes van opwinding en opperste extase. Tegelijkertijd echter heerst er bij de deelnemers een stemming van grote solidariteit. In de letterlijke hitte van het feestgewoel, waar alle deelnemers over elkaar heen buitelen, gaan al snel de korte jassen (hanten) uit, die traditiegetrouw bij dit soort optochten worden gedragen. Halfnaakt, met een opgerold handdoekje als zweetband om het hoofd gewikkeld (hachimaki) en slechts gekleed in een lendendoek (fundoshi), worden dan links en rechts de ontblote lichamen onthuld met de strak op de huid gespannen décors van in kleur getatoeëerde motieven en patronen. De klassieke Japanse tatoeages (irezumi) komen in al hun pracht en praal tevoorschijn op de van zweet glinsterende lichamen van de processiegangers. Zij doen hun best om op de draagbalken van de schrijnen te klimmen om daarmee zo hoog mogelijk boven de menigte uit te komen, zodat zij vol trots de op hun huid gedragen kunstwerken aan een bewonderend publiek ten toon kunnen stellen.

Bij deze jaarlijks terugkerende festivals van de Sanja-schrijn in Asakusa zijn dit de vertrouwde rituelen en de bekende beelden, in het verleden zoals ook in het heden. De Asakusa-wijk ademt nog steeds de sfeer van de stad Edo, het oude Tôkyô. Net zoals toen is Asakusa ook nu nog steeds een populair uitgaanscentrum in ‘downtown’ Tôkyô, als vanouds de plaats van samenkomst van de zogenaamde ‘Edokko’, de typische inwoner van Edo, gevat en scherp van geest. Zij gaven gestalte aan een bloeiende stadscultuur, die werd gedragen door een snel groeiende homogene gemeenschap van handwerkslieden en kooplieden die in de stedelijke markteconomie in toenemende mate een belangrijke plaats gingen innemen en zich daarbij gingen afzetten tegen de militair-feodale klasse van de samurai-élite. Deze nieuwe aristocratie van stedelingen (chônin) gaf de toon aan voor het modebeeld van die tijd, vormde het middelpunt van de populaire romanliteratuur en [ze] werden als volkshelden vertolkt op het podium van de Kabuki-theaters. Zij konden zich ook luxe veroorloven, gaven snel en gemakkelijk geld uit en wel bij voorkeur in de plezierwijken zoals die van Asakusa met zijn talrijke theaters, eethuizen, badhuizen en in de nabijgelegen bordelenwijk Yoshiwara. Tegen de achtergrond van deze sociaal-culturele en economische ontwikkelingen en mede als gevolg van het leven en bedrijf in een grote stad als Edo, kwamen uit de gelederen van deze stadsbevolking bepaalde groepen en subculturen naar voren, die zich temidden van een samenleving met strikt verdeelde sociale klassen in het bijzonder gingen profileren. Zo waren er de otokodate, de ‘straatridders’, die bedreven waren in de vechtkunsten en al dan niet met het enkele zwaard waren bewapend, zich als beschermers en hoeders gingen opwerpen van de laagste klassen van de maatschappij. Zij streden tegen onrecht en tegen de repressie van de feodale autoriteiten en keerden zich tegen de arrogantie van de samurai-elite. Het was niet meer dan logisch dat deze heldhaftige krijgers van de straat door de onderdrukte, sociaal laagste klassen en door de stadsbevolking in het algemeen op handen werden gedragen.

Zo werden ook de brandweerlieden (tobi) door de stedelingen als helden vereerd. Het uitbreken van brand in de van hout gebouwde stadswijken kwam met de regelmaat van de klok voor en er bestonden dan ook verschillende brandweerkorpsen, die door het stadsbestuur per wijk werden ingedeeld. De brandweerlieden werden gerecruteerd uit de kringen van huizenbouwers, timmerlieden, constructiewerkers, dakdekkers en vaak ook handwerkslieden. De manier waarop de brandweerlieden ook in de Edo periode hun moed en behendigheid demonstreerden leeft nog voort in het hedendaagse Japan. Want op nieuwjaarsdag is het ook nu nog steeds de gewoonte dat de brandweerkorpsen zogenaamde ladderparades (dezome-shiki) organiseren, waarbij brandweerlieden in de top van recht omhoog gehouden brandweerladders allerlei acrobatische toeren uitvoeren. Zij zijn gekleed in korte jas met zwarte broek en dragen strosandalen, hetzelfde tenue als de dragers bij de optocht van de draagbare Shintô-schrijnen. Het zijn vooral deze groepen van straat- en stadshelden geweest die zich in hechte gemeenschappen met een sterk identiteits- en loyaliteitsgevoel verenigden. Zij waren het dan ook die zich vooral door voorbeelden uit de populaire romanliteratuur en de kleurrijke wereld van de Japanse prentkunst lieten inspireren tot het laten aanbrengen op de huid van omvangrijke en gedetailleerde tatoeages van allerlei aard, motief en versiering. Naast de decoratieve functie hebben deze tatoeages dikwijls ook een symbolische betekenis. Afbeeldingen als van volkshelden, religieuze figuren of voorstellingen van fabeldieren kunnen ook als symbolische bescherming van het individu dienen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is het tatoeagemotief van de draak, die vooral door brandweerlieden in de Edo-periode werden gedragen. De draak immers werd gezien als een watergodheid, heerser over de zee, de rivieren en de bergen. De draak doet de wolken omhoog rijzen en regen op de akkers neerdalen. Deze sterke associatie van de draak met water zou de brandweerlieden bij de bestrijding van het vuur als een soort amulet extra bescherming bieden.

Het is daarom misschien ook geen toeval, dat er tijdens het Sanja-festival in de Asakusa- tempel nog een ander spektakel van bijzondere aard plaatsvindt, dat rechtsreeks met de draak verband houdt. Het betreft hier de zogenaamde ‘Dans van de Gouden Draak’ (Kinryû no mai), waarbij een van hout en goudpapier gemaakte beweegbare draak van ongeveer vijftien meter lengte en met een reusachtige monsterkop wordt voortbewogen door een groep van acht jongemannen, die het gevaarte van vijfenzeventig kilo ieder met acht palen omhoog houden. De dragers van deze reuzendraak zijn zo op elkaar ingespeeld, dat het net lijkt alsof de draak met golvende bewegingen aan het dansen is. Ook hier is er sprake van de beschermende kracht van de hemelse draak en volgens de legende zou er dan ook een gouden draak uit de wolken zijn neergedaald toen het gouden beeldje van Kannon in de Asakusa-tempel als heilig relikwie werd bijgezet. De verklaring voor de naam van de Asakusa Kannon-tempel als de Tempel van de Gouden Draak is hiermee gegeven.

Aan het einde van de dag, wanneer de luidruchtige optochten met de Shintô-schrijn tot een einde zijn gekomen, komt de tijd voor verpozing. (afb. 7). Nadat het zegenende werk van de in de Shintô-schrijnen rondgedragen kami is afgelopen, is het tijd om deze goden met voedseloffers te danken. Offertafels van smetteloos blank hout worden opgesteld waarop wit-porseleinen kruiken met rijstwijn en voedseloffers van rijst, groenten en fruit worden uitgestald. (afb. 8). Soortgelijke offergaven worden ook geplaatst in de Shintô-huisaltaren (kamidana) op een ereplaats in de Japanse huiskamer. Naast de verering van de kami houdt dit tevens in dat de familieleden het voedsel symbolisch met de voorouders delen. Dankbaarheid, oprechtheid en respect jegens de (voorouderlijke) kami spelen een belangrijke rol in de individuele verering en in de Shintô-eredienst in het algemeen. De zuiverheid van intenties bij het tegemoettreden van de kami staat voorop. Vandaar het ritueel dat men bij het betreden van een Shintô-heiligdom zoals de op het terrein van de Asakusa-tempel gelegen Sanja-schrijn, eerst de handen en mond spoelt als symbolische zuivering van de geest. (afb. 9).

Waar rook te zien is, is er Boeddhisme, zo zou men kunnen zeggen. Op de binnenplaats van de Asakusa-tempel, gelegen tussen de Hôzômon-poort en de Hoofdhal, staat een groot bronzen wierookvat van waaruit de hele dag door dikke rookwalmen omhoog stijgen. Deze zijn afkomstig van de talrijke bundeltjes smeulende wierookstokken die de bezoekers van de tempel in het vat hebben geplaatst. (afb. 10). Het branden van wierook is kenmerkend boeddhistisch en heeft net als de reinigingsrituelen met water in de Shintô-cultus een zuiverende en versterkende functie. Gelovigen en bezoekers baden zich als het ware in de rook, de wierookwalmen naar zich toe waaierend of over delen van het lichaam strijkend in de hoop op de helende en versterkende kracht van de in de tempel gewijde boeddhistische beschermgodin Kannon. (afb. 11).

Zo wordt duidelijk dat, ongeacht de meer op het Shintô-dan wel op het Boeddhisme gerichte geloofspraktijken, het in hoofdzaak niet alleen om de verering op zichzelf gaat, maar dat ook met nadruk het zieleheil van het individu en de gemeenschap in het geding is. Men richt zich tot de goden om hulp, steun en bescherming tegen allerlei onheil.

Tijdens de jaarlijkse feest- en hoogtijdagen van de Asakusa Kannon-tempel vinden er ook uitvoeringen plaats van dans en muziek. Daarbij neemt de leeuwendans (shishimai) een belangrijke plaats in. Zoals de eerdergenoemde drakendans is de leeuwendans eigenlijk ook van Chinees-continentale oorsprong. De bedoeling van de leeuwendans is om de kwade geesten te verdrijven en hij wordt daarom vooral tijdens de nieuwjaarsdagen in zowel China als Japan uitgevoerd. De leeuwendans tijdens het Asakusa-festival wordt begeleid met muziek van trommels en [de] fluit en vindt plaats op een verhoogd en overdekt podium waar doorgaans tempeldansen worden uitgevoerd. (afb. 12). De danser, die de leeuwendans uitvoert, gaat schuil onder een brede mantel en draagt een masker bestaande uit een grote leeuwenkop van gelakt hout en met lange witte manen. Wanneer de danser in actie komt, worden op vaardige wijze de bewegingen van een leeuw levensecht nagebootst, dansend als betoverd door het ritme van de trommels. (afb 13). Vanaf het dak van het podium zijn de heilige strotouwen (shimenawa) te zien, waaraan hagelwitte papierstrookjes (gohei) hangen. Zij dienen als Shintô-merktekens om gewijde plaatsen of objecten aan te duiden en af te bakenen. Ook hier weer lopen de wegen samen van de Shintô-kami en van het Boeddhisme, dat wordt vertolkt in de verschijningsvorm van een mythologische leeuw.

De viering van lokale tempelfeesten zoals het Sanja-festival in Asakusa, draagt overal in Japan bij tot het zogenaamde ‘religieus toerisme’. De aanwezigheid van rondreizende pelgrims op de tempelterreinen is een vertrouwd gezicht. Eertijds reisden deze pelgrims te voet naar beroemde heilige plaatsen, dikwijls als groep afgevaardigd door veraf gelegen dorpsgemeenschappen om verdienste te verwerven en de zegeningen van de goden ten behoeve van het thuisfront te ontvangen en over te brengen. Tegenwoordig zijn er natuurlijk de moderne reis- en transportmogelijkheden, speciaal ook voor de pelgrimstochten, ingericht. Pelgrims in het zwart gekleed met strohoed en bedelnap collecteren geld om hun vrome reis naar de tempel te bekostigen dan wel bedoeld als offergave aan de tempel. (afb. 14). Vandaag de dag, niet anders dan vroeger in Japan, komen pelgrims, bezoekers, vakantiegangers, toeristen, recreanten en belangstellenden in groten getale naar de bekende heiligdommen, die als een soort sociale ontmoetingsplaats dienen. De Asakusa Kannon-tempel is bij uitstek een dergelijke locatie, gelegen in het bruisend hart van één van de oudste vermaakscentra en volkswijken van Tôkyô. Een marktstraat van bijna tweehonderd meter lang en bekend onder de naam ‘Nakamise’ voert de bezoeker naar het middelpunt van het tempelcomplex, de Hôzômon poort met de drie kolossale rode lampions, met vlak daarachter de Hoofdhal (Hondô), gewijd aan Kannon. (afb. 15).

De wijkbewoners van Asakusa vormen al generaties lang een hechte gemeenschap, nauw verbonden met hun eigen grondgebied en met sterke onderlinge gevoelens van solidariteit en loyaliteit. Aan deze gevoelens wordt op uitbundige wijze uitdrukking gegeven tijdens het jaarlijks terugkerende Sanja-festival en als het aan de bewoners van Asakusa ligt, zal dit ook voorlopig zo blijven. Zoals in het oude Edo de getatoeëerde wijkbewoners een schilderachtig beeld vormden, zo worden ook vandaag nog tijdens het Asakusa-feest diezelfde beelden herhaald. De polychrome pracht van de traditionele tatoeages wordt tijdens het festival ook nu nog weerspiegeld en tentoongesteld op de lichamen van vele leden van de Japanse tatoeage- verenigingen en de gilden van tatoeagemeesters, waarbij tegenwoordig ook groepen van getatoeëerde leden van de Japanse mafia (yakuza) zich niet onbetuigd laten.

Oude tradities worden voortgezet met de beschermende kracht van de Shintô-kami en onder de geruststellende zegeningen en het genadige oog van de godin Kannon, dit alles geconcentreerd in het hart van de Tempel van de Gouden Draak in Asakusa.

 Literatuur

  • Gulik, W.R. van: Irezumi, the Pattern of Dermatography in Japan, Leiden 1985.
  • Gulik, W.R. van: Japanse prenten, een handleiding voor verzamelaars, Lochem 1996.
  • Gulik, W.R. van: ‘Japan’, in: A Companion to Buddhist Art, K.R. van Kooij en P. Lunsingh Scheurleer (eds), Ridderkerk 1997.
  • Nishida, Kazuo: Storied Cities of Japan, Tôkyô 1963.
  • Reader, I: Shintoïsme, Alphen a/d Rijn 1998.