Tattoo Planet nummer 5

Tattoo Planet nummer 5

Tattoo Planet nummer 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IN HET TEKEN VAN DE AINOE
het oudste spoor van tatoeage in Japan

Tekst: Willem van Gulik

De Ainoe in Japan
De kleurrijke en tot de verbeelding sprekende voorbeelden van traditionele Japanse tatoeage-motieven die grote delen van het lichaam kunnen bedekken zijn internationaal in de tatoeagewereld bekend geworden en ondervinden ook in Nederland terecht grote waardering en belangstelling. Deze ons zo welbekende vormen van Japanse tatoeagekunst vond in het Land van de Rijzende Zon pas tegen het einde van de achttiende eeuw zijn oorsprong en kwam vooral in de negentiende eeuw tot bloei, zoals dikwijls weerspiegeld in de prentkunst van het pre-moderne Japan.
Toch gaat tatoeage als verschijnsel veel eerder in de geschiedenis van Japan terug toen het reeds werd toegepast door de Ainoe, een bevolkingsgroep die tot de vroegste bewoners van het Japanse eilandenrijk gerekend kan worden. Over de vraag waar deze eerste bewoners precies vandaan kwamen en waar de Japanners nu eigenlijk van afstammen, is nog niets tot op heden met volle zekerheid bekend. In het stenen tijdperk moet er op het Japanse grondgebied een Aziatische variant van de Neanderthaler mens hebben bestaan, zo is uit recente archeologische opgravingen van menselijke overblijfselen en stenen werktuigen uit die periode gebleken. De overgang van een stenentijdperk cultuur naar een aardewerk cultuur vond omstreeks tienduizend jaar voor Christus plaats, het begin van de Djômon periode (ca. 10.000-300 v. Chr.) en zo genoemd naar het kenmerkende gevlochten ‘touw-patroon’ dat als versieringsmotief dikwijls op het aardewerk werd aangebracht door gevlochten koorden als stempel op het nog natte klei van het aardewerk af te drukken. Ook over de oorsprong en over de dragers van deze Djômon cultuur van jagers en verzamelaars blijven nog vele vragen onbeantwoord, vooral waar het gaat over de overgang naar het daaropvolgende tijdperk van de Yayoi (300 v.Chr. – 300 na Chr.), toen de natte rijstbouw vanuit het vasteland van China werd ingevoerd en zich vanuit het zuiden van Japan een samenleving van landbouwers begon te ontwikkelen. Dit had belangrijke gevolgen voor de sociaal-economische inrichting van de Yayoi cultuur die uiteindelijk de basis zou vormen voor de sociaal-politieke éénwording van Japan in de zogenoemde Kofoen periode, het tijdperk van de grote graftombes die op de Yayoi periode volgde en voortduurde tot in de zevende eeuw van onze jaartelling. Algemeen wordt aangenomen dat met de verspreiding van de landbouwcultuur in het Japanse eilandenrijk, de basis werd gelegd voor de vorming van een bevolkingsgroep die als de verre voorouders van de hedendaagse Japanners beschouwd kunnen worden. Het probleem van de identiteit van de Ainoe speelt daarbij een belangrijke rol. Zouden de Ainoe vòòr de invoering van de landbouwfase deel hebben uitgemaakt van de Djômon cultuur en met de komst van de Yayoi landbouwcultuur vanuit het zuidwesten naar het noordoosten van Japan zijn teruggedrongen? Of zou het niet kunnen zijn dat voorafgaand aan de invoering van de landbouwfase in Japan, de Ainoe althans ten dele de dragers waren van de Djômon cultuur maar zich in feite als een genetisch afzonderlijke groep heeft ontwikkeld. Deze veronderstelling lijkt het meest voor de hand liggend. Tot de dag van vandaag zijn de Ainoe een afzonderlijke etnische eenheid gebleven met geheel eigen raciale en culturele kenmerken. Zij vormen thans een inheemse minderheidsgroep die snel aan het uitsterven is. Hoewel moeilijk nauwkeurig te schatten wegens vermenging in de loop der jaren met de Japanse bevolking, moeten er thans nog ongeveer vijftienduizend Ainoe leven en wel hoofdzakelijk op het meest noordelijke eiland van Japan: Hokkaidô. Dit eiland ligt in de subarctische klimaatzône, ten zuiden van Sachalin, de Koerilen en Kamchatka welke het gebied vormt waar de Ainoe cultuur zich ooit heeft uitgestrekt. (afb.1). Het woord ‘Ainoe’ betekent ‘levend wezen’ of ‘mens’. Ondanks zekere overeenkomsten in bijvoorbeeld de zinsbouw, verschilt de Ainoe taal wezenlijk van het Japans. Aangenomen wordt dat de Ainoe taal, evenals het Japans en het Koreaans, verwant is aan de proto-Altaische taalfamilie waartoe ook het Mongools, Toengoesisch en Turks behoren. Ook onderscheiden de Ainoe zich van de Japanners door hun gelaatstrekken, sterke lichaamsbeharing en lange baardgroei bij de mannen. De Ainoe wijken hierdoor af van de hen omringende Mongolide volkeren en worden gerekend tot het Europide ras met verwantschap aan de volkeren van Siberië. (afb. 2). Omstreeks het midden van de negentiende eeuw werd het noordelijke eiland Hokkaidô onder het centrale gezag geplaatst van de Japanse regering met als gevolg dat de Japanse taal, zeden en gewoonten aan de Ainoe bevolking werd opgelegd en daardoor veel van de oorspronkelijke Ainoe cultuur en traditie op de achtergrond raakte. Niettemin zijn er nog vele Ainoe plaatsnamen op het eiland Hokkaidô overgebleven en ettelijke Ainoe dorpen en nederzettingen zijn als toeristische attractie ingericht. De inmiddels sterk verjapanste Ainoe dorpelingen amuseren het publiek met traditionele dans- en muziekuitvoeringen terwijl in de souvenir winkels Ainoe volkskunst en houtsnijwerk worden verkocht. In vroegere tijden woonden de Ainoe in kleine nederzettingen verspreid in de bergdalen langs de oevers van de rivieren, bij de meren of aan de zeekust. Van oudsher zijn zij altijd goed in staat geweest om zich aan de natuur en het milieu aan te passen. Voor de Ainoe van Hokkaidô vormden vis en schaaldieren de belangrijkste bron van voedsel gedurende vrijwel het hele jaar terwijl er in het voorjaar en najaar werd gejaagd op herten en beren. In de zomerperiode verzamelden de Ainoe vrouwen eetbare planten en bessen en werd er op kleine schaal gierst, bonen en knollen verbouwd. (afb. 3). Voor het aanleggen van voedselvoorraden voor de winter kon vis worden gerookt en gedroogd terwijl visolie zorgde als brandstof. De huiden van vissen kwamen bovendien van pas voor het maken van kledingstukken en schoeisel. Gedroogde vis, pelzen en huiden maakten deel uit van de handel met de Japanners, in ruil voor metalen gereedschap, lakwerk, katoenen kleding, rijstwijn en rijst. Pas in de laat negentiende eeuw, toen het gezag van de centrale Japanse overheid ook in Hokkaidô was gevestigd, begonnen deze producten ook bij de Ainoe gemeengoed te worden.

Ainoe tatoeage: vormen en technieken
Portugese missionarissen van de Jezuïeten-orde uit de zestiende eeuw en Nederlandse zeevaarders uit de zeventiende eeuw zijn de eerste westerlingen geweest die in de verslagen over hun waarnemingen in Japan melding maakten van de bijzondere gewoonte van tatoeage bij de Ainoe in de noordelijke regionen van Japan. De vroegste Japanse bronnen over Ainoe tatoeage zijn tamelijk schaars en dateren uit de achttiende eeuw. Zo wordt in één van de bronnen bijvoorbeeld melding gemaakt dat de Ainoe vrouwen hun lippen in blauw of groen tatoeëren en soms de wangen voorzien van een getatoeëerde bloem. (afb. 4). Rond het einde van de negentiende eeuw verschijnen er in westerse bronnen meer gedetailleerde beschrijvingen van tatoeages bij de Ainoe. Uit de waarnemingen van toen bleek al duidelijk dat tatoeages alleen bij Ainoe vrouwen werden aangetroffen. Wat daarbij zonder uitzondering vooral opviel was dat de vrouwen hun lippen rondom hadden getatoeëerd waardoor het leek alsof zij van grote snorren waren voorzien. (afb. 5 en 6). Daarnaast bleken ook de onderarmen, de rug van de handen en de vingers van geometrische tatoeage-motieven voorzien te zijn. (afb. 7 en 8). Het Ainoe woord dat voor wordt gebruikt is nuye hetgeen zoveel betekent als ‘snijden’ of een ‘merkteken plaatsen’ (tatoeëren) en vandaar ook ‘schrijven’ kan betekenen. Anders dan de tatoeage techniek waarbij gebruik wordt gemaakt van naalden, is het bij de Ainoe een metalen mes dat als instrument voor het tatoeëren wordt gebruikt. Met dit op een scheermes gelijkend en minstens even scherp mes (makiri) werden sneden op de huid aangebracht. (afb. 9). Voordat ijzer bij de Ainoe werd ingevoerd, werd als snij-instrument gebruik gemaakt van de scherp afgeslepen pijlpunten van vuursteen. In de snijwonden van de huid werd vervolgens roet ingewreven. Dit roet werd op bijzondere wijze verkregen door gebruik te maken van de roetaanslag op de bodem van kookpotten die in de Ainoe woningen boven het haardvuur werden opgehangen. Eerst werden de potten of ketels grondig schoongemaakt voordat zij boven een vers vuur van berkenbast werden gehangen. Berkenbast levert een bijzonder fijne diepzwarte roetaanslag op die uitermate geschikt bleek te zijn als kleurstof voor de tatoeages. Tijdens het branden van het vuur werden tegelijkertijd het water in de potten gebruikt waarin fijngehakte stukjes essenhout of takjes van de kardinaalsmuts heester werden meegekookt. De op deze wijze verkregen vloeistof diende als antiseptisch middel en met katoenen doekjes die in dit water waren gedrenkt veegde men de huid met regelmaat schoon tijdens het tatoeëer proces. Dit proces was op zichzelf dus betrekkelijk simpel: in de huid werd er eerst kleine sneetjes gemaakt door middel van de vlijmscherpe punt van het mes. Het roet werd vervolgens van de bodem van de kookpotten geschraapt en voorzichtig in de snijwondjes op de huid gewreven waarbij de behandelde gedeelten van de huid herhaaldelijk met doekjes gedrenkt in het geprepareerde water werd afgeveegd. Het afmaken van een tatoeage was meestal van lange duur. Een tatoeage op het gezicht nam ongeveer twee jaar in beslag terwijl het tatoeage proces op de armen zich vaak in verschillende fasen van meerdere jaren uitstrekte. Dit laatste had evenwel te maken met de levenscyclus van de Ainoe vrouwen waarover later meer.

Specialisten
Het spreekt wel vanzelf dat het tatoeëren bij de Ainoe een operatie was die niet geheel pijnloos kon verlopen. Het was dus zaak dat degene die de tatoeages aanbrengt niet alleen behendig moest zijn in het uitbeelden van de motieven maar er ook in slaagde om de pijn tot een minimum te beperken. In de traditionele Ainoe gemeenschappen, vooral op Hokkaidô, was het tatoeëren dus het werk van specialisten uitsluitend voorbehouden overigens aan vrouwen. Vaak waren dezen de oudere vrouwen in de dorpsgemeenschap die zich uit ervaring in het bijzonder hadden bekwaamd in de technieken van het tatoeëren. Maar dikwijls ook moesten deze vaardigheden worden aangeleerd door de grootmoeders van de Ainoe vrouwen of door hun tantes van moederszijde. Dit had rechtsreeks te maken met de organisatie van het sociale systeem bij de Ainoe. Kenmerkend voor de Ainoe sociale organisatie was het feit dat de afstammelingen van moederszijde en die van vaderszijde strikt van elkaar waren onderscheiden. De scherpe scheiding van rollen, van status en positie tussen mannen en vrouwen weerspiegelde zich in de arbeidsverdeling. De mannen waren verantwoordelijk voor de jacht en visvangst, trokken zonodig ten strijde, traden op als gastheer en speelden een centrale rol in religieuze ceremonieën en rituelen. Eén van dergelijke meest bekende Ainoe rituelen was het traditionele ‘berenfeest’ (iyomante). Dit feest werd vroeger jaarlijks in iedere Ainoe nederzetting gevierd waarbij een beer ritueel werd geofferd. Achter dit ritueel bestond de gedachte dat de beer als goddelijke bezoeker werd beschouwd die de mensen voedsel, huiden en kleding bracht. De goddelijke beer werd vervolgens vorstelijk onthaald met dans, muziek en voedseloffers om vervolgens ritueel te worden gedood zodat de geest van de beer kon worden vrijgemaakt om tevreden en dankbaar terug te keren naar het rijk van de berengoden. (afb. 10). Vandaag de dag wordt het berenfeest ritueel nog steeds als een toeristische attractie opgevoerd zonder dat daarbij natuurlijk een beer werkelijk wordt gedood. In menig Ainoe reservaat van tegenwoordig worden bovendien beren gehouden die speciaal zijn getraind om allerlei kunstjes uit te voeren, eveneens ter vermaak van het toeristenbezoek aan Ainoe nederzettingen. De dagelijkse werkzaamheden van het huishouden werden overgelaten aan de Ainoe vrouwen. Zij zorgden voor het verzamelen van voedsel, de eetbare planten, bessen en kruiden als ook voor het bijeen sprokkelen van brandhout. Tot hun taak behoorde ook het verbouwen en tot voedsel verwerken van landbouwgewassen zoals bonen en gierst. (zie afb. 3 ). In het licht van de scheiding van taken en verantwoordelijkheden, rollenpatronen, sociale verhoudingen en huwelijksgewoonten tussen de leden van de mannelijke en vrouwelijke afstammingslijnen bij de Ainoe, zal het niet zo moeilijk zijn om te begrijpen dat tatoeage in feite een zaak was die exclusief aan Ainoe vrouwen was voorbehouden en dat het tatoeageproces dus ook bij voorkeur wordt overgelaten aan de vrouwelijke leden van de verwantengroep van moederszijde. In de functionele betekenis en in de symboliek van de tatoeage bij de Ainoe vrouwen komen deze factoren en relaties duidelijk tot uiting.

Ainoe tatoeage: functie en betekenis
Zoals bij vele culturen in de wereld, worden bepaalde sociale gewoonten meestal uitgelegd in de vorm van mythen, legenden en folklore. Dat is ook het geval bij tatoeages van Ainoe vrouwen. Volgens de Ainoe legenden zou de zuster van één van de Ainoe godheden getatoeëerd zijn geweest en deze gewoonte bij de Ainoe vrouwen hebben geïntroduceerd. In de wereld van de Ainoe goden spelen dieren ook een belangrijke rol als goddelijke figuren. Bij de Sachalin Ainoe bijvoorbeeld zou de forel vis ook een rol hebben vervuld bij de oorsprong van tatoeage: de zwarte strepen op deze vis zouden overeenkomen met de geometrische tatoeage-motieven op de armen van Ainoe vrouwen. Zo zou de forel in zijn goddelijke rol de gewoonte van tatoeage aan Ainoe vrouwen hebben overgedragen en daarnaast ook de kunst van weven en borduren. Ook andere diersoorten uit de wereld van vissen, vogels en zoogdieren die in het algemeen deel uitmaken van de voedselvoorziening voor de Ainoe, werden op bijzondere wijze vereerd en dikwijls als goddelijke manifestaties in verband gebracht met de ontstaansgeschiedenis van Ainoe tatoeage. Mede tegen de achtergrond van deze religieuze aspecten, spelen vooral ook sociaal-religieuze elementen een belangrijke rol bij de tatoeage van Ainoe vrouwen. Volgens traditie en om reden dat alle Ainoe voorouders dat nu eenmaal altijd hadden gedaan, moesten de Ainoe vrouwen bij hun huwelijk getatoeëerd zijn. Vooral de tatoeage van de lippen moest bij de afsluiting van het huwelijk voltooid zijn en diende als een teken voor de huwelijkse staat. Vandaar dat het gehele tatoeage proces over meerdere jaren en in verschillende fasen kon worden uitgevoerd, te beginnen meestal rond de puberteit van een Ainoe meisje wanneer voor het eerst met de lip-tatoeage werd begonnen. Tatoeage van de armen en handen dat niet in alle gevallen voor vrouwen verplicht was gesteld, kon ook na het huwelijk worden voltooid maar als regel nog voordat het eerste kind werd geboren. De gedachte was dat vrouwen met getatoeëerde lippen altijd gunstig over de echtgenoot zou spreken terwijl met de getatoeëerde armen en handen aangetoond werd dat de Ainoe vrouw bereid was alleen haar man en kinderen te dienen.

Magisch-religieuze functie
De geometrische tatoeage-motieven op armen en handen,, in de vorm van ruitvormige patronen en in elkaar gevlochten diagonalen, zijn niet in de eerste plaats bedoeld als zuivere decoratie of versiering maar hebben een duidelijke magisch-religieuze functie die op zijn beurt weer nauw is verbonden met het bestaande familiesysteem. Ten eerste is het zo dat de betreffende geometrische tatoeage motieven als vorm zijn afgeleid van de geheime gordels die de Ainoe vrouwen onder hun kleding droegen en als identificatie dienden voor hun specifieke plaats in de vrouwelijke lijn van hun familie-afstamming. Deze van specifieke merktekens voorziene gordels waren gevlochten uit vlas- of hennepkoord. Vrouwen met identieke gordels waren solidair met elkaar verbonden in een systeem van wederzijdse hulpverlening en sociale verplichtingen. Een dergelijke identificatie diende als een soort van ‘beveiliging’ tegen huwelijken tussen partners die hun verwantschap tot dezelfde moederslijn (matrilineaire afstamming) konden terugvoeren. De geometrische vormen van de tatoeages vertegenwoordigden dus op gestileerde wijze het beeld van een opengewerkte vlechtstructuur van koorden of gevlochten touw. Als gevolg hiervan ontstonden er patronen gelijkend op aaneengesloten ruitfiguren of haaks op elkaar staande en ineengestrengelde diagonalen. (afb. 11 en 12). De als tatoeage aangebrachte gestileerde vlechtwerk motieven hadden ook een duidelijke beschermende functie die de drager moest vrijwaren van kwaad en onheil en bij moest dragen aan het bevorderen van een goede gezondheid. Ook het roet diende meer dan alleen als kleurstof voor de tatoeage. Zoals eerder al opgemerkt, werd het roet verkregen van de aanslag op de kookpotten boven het haardvuur. De verzonken haard die centraal in de Ainoe woning was geplaatst, diende tevens als een soort huisaltaar voor de rituele ceremonieën gewijd aan de beschermgodin van het vuur. (afb. 13). Deze godheid waakte over het wel en wee van de gehele familie en trad ook op als medium tussen de mens en zijn goden. Het roet werd op deze wijze gezien als nauw verbonden met het heilig vuur van de godenwereld en werd daardoor als een duidelijk middel van bescherming beschouwd. Wanneer de voor het oog zichtbare delen van het lichaam voorzien waren van met roet in de huid aangebrachte tatoeage motieven, dan zouden deze tekens de kwaadaardige geesten en ziekteverwekkende demonen afschrikken en op afstand houden. De decoratiemotieven op de traditionele van boombast-strookjes gevlochten Ainoe kleding (attoesj) vervulden dezelfde beschermende functie ten opzichte van de drager. Deze motieven werden aangebracht op donkere katoenen stroken langs de zomen van het gewaad en lijken op aaneengeschakelde en elkaar weerspiegelende accolades die voor een verrassend decoratief effect zorgen. In feite is dit motief eveneens afgeleid van een vlechtwerkpatroon, in dit geval meer in het bijzonder van een uitgerekt visnet patroon. (afb. 14 en 15).

Reconstructies
Thans heeft de oorspronkelijke Ainoe kleding reeds lang plaats gemaakt voor westerse en Japanse kleding en onder de Ainoe bevolking is er vrijwel niemand meer die de Ainoe taal nog spreekt of uit eigen herinnering nog kan verhalen over het traditionele Ainoe leven en bedrijf van weleer. In de Ainoe nederzettingen waar de reconstructies van de traditionele Ainoe woningen nog te bezichtigen zijn voor de Japanse toeristen, worden als in een openluchtmuseum nog enkele Ainoe tradities in leven gehouden en Ainoe muziek ten gehore gebracht, compleet versterkt met moderne microfoons. (zie afb. 15). Van de Ainoe vrouwen die bij deze gelegenheden optredens verzorgen met dans en muziek, lijken de lippen nog wel zoals vroeger getatoeëerd te zijn maar in werkelijkheid zijn het nog maar tatoeages die met zwarte inkt op de huid zijn geverfd en die aan het einde van de dag, na gedane arbeid en na de rol van Ainoe gespeeld te hebben, weer net zo snel van het gezicht werd afgeveegd.

Literatuur:
Batchelor, J.,
The Ainu of Japan: The religion, Superstitions, and General History of the Hairy Aborigines of Japan. London 1892
Batchelor, J.,
Ainu Life and Lore, Echoes of a Departing Race. Tokyo 1927
Gulik, W.R. van,
Irezumi, the Pattern of Dermatography in Japan. Leiden 1982
Hilger, Inez M.,
Together with the Ainu, A Vanishing People. Norman, Oklahoma 1971
Munro, Neil Gordon,
Ainu Creed and Cult. London 1962
Ohnuki-Tierney, Emiko,
The Ainu of the Northwest Coast of Southern Sakhalin. New York 1974
Afbeeldingen:

6. (CD Rom nr: 0024)
Portret van een Ainoe vrouw met getatoeëerde lippen, 1976. (Irezumi, ill. 124)

7. (CD Rom nr: 0007)
Ainoe vrouw met getatoeëerde lippen, arm en hand (Batchelor, The Ainu and their Folklore, 1901, p. 21)

8. (CD Rom nr: 0011)
Ainoe werktuigen, rechtsonder getatoeëerde arm. Detail uit rolschildering, 1892 (Osterreichisches Museum für Angewandte Kunst, Wien)

9. (CD Rom nr: 0022)
Ainoe mes met houten schede. Begin 19de eeuw (Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden)

14. (CD Rom nr: 0013)
Onderkant rugzijde van Ainoe gewaad gemaakt van geweven smalle boombast strookjes. Ca. 1800 (Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden)

15. (kleurendia)
Musicerende Ainoe, de twee vrouwen rechts bespelen de mondharp. Ainoe nederzetting Noboribetsu te Hokkaidô, Japan (foto 1998, Willem van Gulik)

 

Tekst: Jacqueline Kuijpers

TATOEAGES UIT HET IJS

De huidkunst van de Scythen
Een woest nomadenvolk uit de Oudheid, levend van de Krim tot in Siberië, berucht om zijn ruige leven te paard en het hanteren van pijl en boog en beroemd om zijn figuratieve kunst, uitgevoerd in goud, en zijn tatoeages…
Getatoeëerde mensen gevonden in Siberië
Een aantal jaren geleden bezocht ik in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een tentoonstelling met als centraal thema de cultuur en kunst van de Scythen, een nomadenvolk uit de Oudheid, dat zich voornamelijk in Zuid-Rusland ophield. Naast de kunst in hout, goud en andere edele metalen, die blijk geeft van een opmerkelijk vakmanschap, was daar ook de op een houten pop uitgespreide huid van een volwassen man te zien, die bezaaid was met tatoeages. Het was één van de eerste keren, dat ik in mijn loopbaan als archeoloog tatoeages uit de Oudheid zag.

Het is al enige tijd algemeen bekend dat mensen in de Oudheid konden tatoeëren, met behulp van naalden van metaal of been, messen, potscherven en scherpe stukjes steen en gebruik maakten van pigmenten, gemaakt op basis van plantextracten; toch was het fascinerend om een door de permafrost tot leer gemaakte getatoeëerde huid te zien, die meer dan 2000 jaar oud was en ontdekt in 1948, 120 mijl ten noorden van de grens tussen Rusland en China. De huid behoorde toe aan de resten van een man, die bij zijn opgraving de “Bevroren Ruiter” werd genoemd. De man was ongeveer 50 jaar oud toen hij stierf en te beoordelen aan de manier waarop hij begraven was (zijn lichaam was zorgvuldig geprepareerd om intact te blijven en hij was begraven onder een grafheuvel, in een graf met rijke gaven van zijn nazaten) gaf aan dat hij een belangrijke figuur in zijn stam moest zijn geweest, een koning, prins of stamhoofd van zijn volk, dat tegenwoordig wordt aangeduid als de Pazyryk-cultuur. Zijn tatoeages bevonden zich voornamelijk op zijn beide armen (over de gehele lengte), zijn rechter scheenbeen en zijn linker schouderblad. De getatoeëerde voorstellingen waren zonder uitzondering afbeeldingen van dieren, waarvan de meeste wilde dieren waren, waarop gejaagd werd.
Archeologen en antropologen zijn geneigd te denken, dat dit soort tatoeages een magische betekenis had en was aangebracht om op zijn minst een dergelijke werking te hebben. Als men de dieren die men tijdens de jacht hoopte te doden in de eigen huid liet afbeelden, groeide het vertrouwen in de eigen kracht deze dieren te overweldigen. Aan de andere kant is het mogelijk dat de afgebeelde dieren als trofeeën dienden: een verzameling afbeeldingen van de dieren die de drager in zijn leven tot dan toe had gedood. Wat de functie van de tatoeages precies was zullen we nooit helemaal zeker weten, want de Scythen hebben zelf geen op schrift overgeleverde verhalen of getuigenissen achtergelaten waarin zij ons duidelijk konden maken waartoe hun tatoeagekunst precies diende. Een hang naar verfraaiing van het lichaam en een manier om mensen in te wijden in een nieuw stadium van hun leven, die gepaard ging met de pijn en ontbering van het ontvangen van een (nieuwe) tatoeage zal ook een reden zijn geweest voor dit volk om zich te laten tatoeëren.
Wie de tatoeages aanbrachten is niet bekend, evenmin of dit gebeurde tijdens of gepaard ging met een bepaald ritueel.
Niet alle Scythische stammen waren getatoeëerd, maar onder de getatoeëerde stammen zijn resten gevonden van zowel mannen als vrouwen met tatoeages.
In 1993 werd in het Altai-gebergte, niet ver van de vindplaats van het hierboven beschreven stamhoofd, het lichaam van een vrouw gevonden, die de “IJsprinses van Gorno Altai” genoemd werd. Zij was begraven in een rijk graf met gouden voorwerpen en kostbare stoffen als grafgiften en ook zij was getatoeëerd. Hoewel haar lichaam niet zo volledig en goed geconserveerd was door de zogenaamde permafrost als dat van de bovenbeschreven man, vinden we ook bij haar kleine, elegante tatoeages in het gezicht, op de linkerschouder, de armen, handen en vingers. Deze stelden plant- en diermotieven voor. Net als het stamhoofd waren er resten van paarden begraven in haar graf, wat duidt op een hoge afkomst. Waarschijnlijk had ze een functie bekleed als priesteres of sjamaan.
Wat vooral opvalt als men de tatoeages bekijkt is de levendigheid van de stijl waarin de figuren zijn uitgevoerd en dat de dieren (vogels, allerlei soorten herten, geiten, bokken, leeuwen en andere wilde katten, ook komt een vreemde soort van mengdieren voor: katten met vogelkoppen, e.d.) zeer dynamisch zijn afgebeeld en haast allemaal vreemde draaibewegingen vertonen, waardoor deze dieren ook wel de naam “wenteldieren” hebben gekregen. Uit de rest van dit betoog zal blijken, dat dit een van de belangrijkste kenmerken is van de kunst van de Scythen.

Op zoek naar de Scythen

Om enig inzicht te krijgen in de kunst van de Scythen is het nodig kort in te gaan op hun geschiedenis en cultuur. Daarvan is niet veel bekend, maar wat we weten staat soms in schril contrast met de mooi uitgevoerde kunst van dit volk.

Eigenlijk zijn de Scythen nooit één volk geweest, maar gebruikten de oude Grieken deze naam (Gr. Skuthoi) voor een verzameling stammen, waarvan later is gebleken, dat ze zich uitbreidde van de grenzen van Noord-Griekenland, Roemenië en de Krim tot in Siberië. Alle boeren- en nomadenvolken die in dit grote gebied woonden en rondtrokken waren aan elkaar verwant en de dingen die ze maakten en die in hun graven zijn aangetroffen vertonen duidelijke overeenkomsten, maar ook begrijpelijke verschillen, omdat ze verspreid leefden over zo’n groot gebied. Van hun taal is weinig bekend en ook die zal per gebied voor Scythische stammen leefde verschild hebben. Er is weinig van bekend, maar de woorden die via Herodotus aan ons zijn overgeleverd doen denken aan een taal die verwant is aan het Perzisch.

De studie van de Scythen, of de Saca (zoals de oude Perzen hen noemden), begint bij groepen nomaden, die vanaf de 9e eeuw v.Chr. vanuit de Kaukasus West-Iran binnentrekken. De eerste geschiedschrijver, die melding maakt van de Scythen is de Griek Herodotus, die schrijft dat de Scythen in het Iran van de 7e eeuw v.Chr. grote macht hadden en dat hun leiders zelfs koning van het gebied waren. Archeologische vondsten in Iran hebben aangetoond, dat er in de 7e eeuw v.Chr. inderdaad veel Scythen in Iran leefden en dat zij samen met de Meden, die de oorspronkelijke bewoners van het gebied waren, een serieuze bedreiging vormden voor het zuidelijker gelegen Assyrië. Herodotus, die overigens de eerste en enige geschiedschrijver is die melding maakt van het feit dat Scythen getatoeëerd waren, beschrijft verder de gebruiken en gewoonten van de Scythen en noemt hen ruige en gewelddadige nomaden, die geen steden of grote bouwwerken oprichtten, omdat ze altijd onderweg waren. Ook dit is door archeologisch onderzoek bevestigd. De enige bouwwerken, die we van de Scythen kennen, zijn de grafheuvels voor hun stamhoofden en koningen, waarin deze met veel pracht en praal begraven werden. In de ogen van de Perzen, die in de 6e eeuw v.Chr. het bewind in Iran van de Meden hadden overgenomen, waren de Scythen een volk uit het Noorden, dat altijd rusteloos onderweg was, een kleurrijk volk, dat altijd een bedreiging voor het Perzische rijk vormde. De Perzische koning Darius slaagde erin de Scythen te verslaan in 520 v.Chr. en hun koning Skuka werd in gevangenschap naar de Perzische koning geleid. Dronken geworden door zijn overwinning besloot Darius de Scythen verder naar het Noorden te verjagen en zette met een leger van 70.000 man de achtervolging in. Vreemd genoeg bleven de Scythen zich vóór het Perzische leger uit terugtrekken en zo trok Darius achter de Scythen aan, de hele Krim en Roemenië door. Uiteindelijk stuurde de Perzische koning boodschappers uit naar de Scythen om hen te vragen, waarom ze zich zo laf gedroegen en niet terugvochten wanneer ze aangevallen werden. De koning kreeg als antwoord (overgeleverd via Herodotus):

Er is niets nieuws en vreemds in wat wij doen. Zo leven wij ook in tijd van vrede. In dit gebied hebben we geen steden en ook geen akkerland, waarvoor we zouden moeten vechten. Maar als u dan binnen korte tijd met ons wilt vechten, kijk dan maar eens rond en bezie de graven van onze voorvaderen. Probeer daar maar eens aan te komen, dan zult u zien of we al dan niet met u willen vechten!

Wat vreemd was voor de Perzen en alle andere volken in de buurt van de Scythen, was dat ze bijna niets hadden waarvoor het waard was om te vechten en dat ze daarom ook liever niet vochten met andere volken. Het enige waarvoor ze misschien in de verdediging zouden gaan was als de graven van hun voorouders werden aangevallen. Het enige waarvoor ze in de aanval zouden gaan was het veroveren van land dat ze nodig hadden om hun kudden te laten grazen totdat ze weer verder trokken. En toch praten we hier over een volk, dat door de meeste volken waarmee het in aanraking kwam zeer gevreesd werd!
Zoals boven vermeld is, vormden de Scythen niet één volk, maar is die naam een verzamelnaam voor een hele grote groep stammen of volken. Niet alle Scythen leefden op dezelfde wijze: naast nomaden waren er ook boerenvolken en uiteraard paste moesten de verschillende stammen zich aan het klimaat en de natuurlijke omstandigheden van hun omgeving aanpassen. De verschillende Scythische stammen hadden ook niet allemaal dezelfde hoogstaande cultuur en kunst.
Scythische kunst

Wat er aan Scythische kunst gevonden is betreft dus geen grote bouw- of beeldhouwwerken. Vele stammen waren nomadenstammen en grote kunstvoorwerpen waren lastig om mee te nemen of met de doden mee te begraven, dus is het aannemelijk dat zij meestal kleine kunstvoorwerpen maakten, die gemakkelijk te vervoeren waren. Deze kunst wordt ook wel Steppekunst genoemd. Veelal gaat het om kleine voorwerpen die gebruikt werden als versieringen voor zadels, teugels, hoofdstellen van paarden en kleding van de mensen zelf. Natuurlijk ging het ook om gebruiksvoorwerpen als eet- en drinkgerei, sieraden en voorwerpen ter verzorging van het lichaam. Veel van deze voorwerpen werden van kostbare stoffen en metalen gemaakt. In de kleding werd veel leer en vilt gebruikt en naarmate men verder naar het Noorden (i.e. Siberië) gaat komt geprepareerd bont als kleding voor in de graven. In de gebieden waar goud en zilver gevonden kon worden maakten de Scythen veel kleine voorwerpen van goud.
De Scythen namen in veel gevallen ideeën over kunst, de vorm en inhoud daarvan over van de volken waarmee ze in aanraking kwamen. Zo hebben de Scythen van de Krim veel culturele contacten gehad met de Grieken, die aan de kusten van de Zwarte Zee koloniën hadden. Van de 5e tot en met de 2e eeuw v.Chr. (de zogenaamde nadagen van de Scythen) fungeerde een Scythische stam als ordepolitie in Athene, waar ze te paard en, zeer behendig als ze daarmee nu eenmaal waren, met hun gevreesde boog en pijlen orde hielden in de stad. Maar wat ze leerden en overnamen van andere volken vertaalden de Scythen altijd in hun eigen beeldtaal, die zo duidelijk spreekt in hun kunst en die we ook terugvinden in hun tatoeagekunst.
De meeste en rijkste kunst van de Scythen is gevonden in het gebied waar de “Bevroren Ruiter” en de “IJsprinses van Gorno Altai” begraven zijn, namelijk in de graven van de Pazyryk-cultuur in het Altai-gebergte in Siberië, aan de grens tussen Rusland en China. De Scythen bewerkten daar hout, leer, been, ijzer, zilver, goud en electrum en ze maakten voorwerpen van brons en vilt. De meeste uitgebeelde figuren stellen de Grote Godin voor (een niet bij naam bekende, maar kennelijk voor de Scythen zeer belangrijke godinnefiguur), antropomorfe dieren (i.e. dieren met bepaalde menselijke kenmerken), dierenfiguren en geometrische patronen.

Hoewel de stammen, die Scythen genoemd worden, over een zeer groot gebied verspreid woonden en ongetwijfeld culturele verschillen hadden, komt de kunst uit deze verschillende verspreidings-gebieden wonderwel overeen. Overal vindt men, in welk materiaal dan ook, de dieren met de typisch gedraaide lichamen. Wat ook veel voorkomt, is de symmetrie die gebruikt is bij het afbeelden van reeksen dier- en plantmotieven. Deze symmetrie en de zogenaamde “wenteldieren” hebben zo’n grote verspreiding gehad, dat ze in Azië terecht schijnen te zijn gekomen en ook van Siberië tot in Oost-China enige tijd in bepaalde kunstvoorwerpen, zoals houtsnijwerken, als motieven zijn gebruikt, waarbij het accent ligt op de hoek die hoofd en lichaam ten opzichte van elkaar maken. Prachtige voorbeelden van deze “wenteldieren” zijn te zien in de geconserveerde huid van de “Bevroren Ruiter” die in het Altai-gebergte begraven lag. Een aantal kenmerken van typische motieven in de Scythische kunst zijn:

• Dieren en andere figuren worden meestal als decoratie afgebeeld, er komen weinig verhalen in de voorstellingen voor.
• Alle wezens worden zeer beweeglijk en levendig voorgesteld, in tegenstelling tot wat men ziet in b.v. Perzische kunst.
• Hoewel alle dieren afgebeeld zijn is er een voorliefde voor herten geweest, die zeer vaak als “wenteldier” zijn afgebeeld.
• Dieren, met name katten en herten, worden afgebeeld in een beweging die “vliegende sprong” genoemd wordt.
• Dieren en plantmotieven worden vaak in cirkels of rijen afgebeeld.

Van de Scythen bestaat een nog zeer incompleet beeld. Ze waren ruige steppevolkeren, door hun leven en het klimaat geharde mensen, die dagen achtereen in het zadel zaten en de steppe doorkruisten, gevreesd waren om hun behendigheid met pijl en boog en, te oordelen aan hun getatoeëerde lichamen, pijn als toets in het leven kenden. Als een koning gestorven was, werden zijn paarden en lijfwachten gedood en met hem begraven. Aan de andere kant, als we naar hun kunstvoorwerpen en de levendige tatoeagemotieven kijken en de hoge kwaliteit van deze tatoeages, dan zien we een volk met een groot besef van cultuur en eeuwige waarden in het leven.
Er valt nog veel over de Scythen te ontdekken en te leren.

Voor informatie over de Scythen en hun tatoeages, zie ook:

http://www.tattoo.dk/engelske/tattoo-history/ancient/e.scythians.htm

http://tattoos.com/jane/steve/mummies.htm