Tattoo Planet Nummer 6 2017-04-16T07:13:03+00:00

Tattoo Planet Nummer 6

Tattoo Planet nummer 6

Tattoo Planet nummer 6 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vrouwen aan de oorsprong van het tatoeëren op Borneo

Gedurende het leven van de Dayaks van Borneo zijn alle gedachten gericht op het snellen van koppen. De moeder zegt tegen haar kind, dat nog nauwelijks kan lopen: ‘We hebben vertrouwen in je. Je zult ons wreken. Het hoofd van je grootvader hangt ergens boven het vuur en jij moet ons wreken’. De vrouwen, in al hun wreedheid en bloeddorstigheid, zijn niet zelden de aanstichters van de rooftochten. Bij ieder festival worden de oude schedels, die van generatie tot generatie boven het vuur hebben gehangen, waar ze zijn geconserveerd en gerookt, door het huis gedragen door een vrouw, terwijl ze zingt: ‘Agi ngambi, aki ngambi – bring us more of them’. Als de mannen terug komen van een rooftocht met hun buit nemen de vrouwen de hoofden over en dansen in razernij door het huis met de schedels waar het bloed van afdruipt. ‘Ze dansen als gekken, bijten en likken de schedels met duivelse vreugde’, aldus een anoniem ooggetuigenverslag in de Sarawak Gazette van 1909.

Oorsprong van tatoeages

Tatoeages van Borneo, zoals de bunga trung, de oerwoudbloem met de spiraal als teken van het eeuwige leven, zijn in het westen tegenwoordig heel populair. Je trof deze rozetten veel aan bij de mannen van de Iban, die uitgebreid getatoeëerd waren, om de overgang van jongen naar man te markeren en als verslag van hun reizen. De Iban vrouwen droegen kleine bandjes op de armen als bescherming tegen de goden en om excelleren als danseres of weefster aan te duiden. Wat weinigen weten, is dat de Iban de kunst van het tatoeëren hebben afgekeken van de Kayan en Kenyah. Helemaal zeker is het niet, maar bij Iban die veel in contact kwamen met deze stammen tref je veel tatoeages aan, terwijl ze in andere streken bijna afwezig zijn. Volgens de Engelse naturalist Charles Hose hebben de Iban al hun patronen geleend van andere stammen en zo vereenvoudigd dat in de loop der jaren de oorspronkelijke betekenis verloren is gegaan. Hij dacht in eerste instantie dat de patronen op de hals en de pols karakteristiek waren voor de Iban, tot hij vergelijkbare patronen aantrof bij andere stammen. De kala bijvoorbeeld, schorpioen, is oorspronkelijk de aso, de hond van de Kayan. Zelfs de tatoeage op de rug van de hand die bij de Kayan alleen was bestemd voor degene die een hoofd had genomen, trof hij bij de Iban vaak aan bij bluffers en nietsnutten. Bij andere stammen waren het voornamelijk de vrouwen die uitgebreid werden getatoeëerd.

Alle mooie jonge maagden

De Kelabit behoorden tot de laatste van de inlandse stammen die met de buitenwereld in aanraking kwamen, omdat het gebied in de hooglanden van Bario bijna ontoegankelijk was voor wie het niet kende. Acht tandelozen bejaarde vrouwen, gerimpelde gezichten en lange oorlellen met glimmende koperen hangers zingen me een welkom toe, zittend op de grond van het longhouse.

 “Wij de vrouwen van Bario,

Alle mooie jonge maagden met blozende rode wangen,

Onze wenkbrauwen geplukt door de tanden van een metalen pincet,

Wij zingen ons lied van verering voor jou”

Ze zijn in traditionele feestkleding, op het hoofd de traditionele kralen muts, die van generatie op generatie overgaat in de familie, gemaakt van 1000 glazen kralen in de kleuren geel en oranje, en behangen met kleurrijke kettingen. Op twee na hebben ze hun echtgenoot overleefd. Het sterke geslacht. Bij meisjes werden al op jonge leeftijd de oorlellen doorgeprikt met bamboe en uitgerekt met zware koperen hangers tot de oorlellen tot over de schouders reiken. Als de oorlellen uitscheurden was dat een regelrechte ramp. De voortanden werden uitgeslagen of zwart gemaakt. Mannen lieten een extra gat prikken in het bovenste gedeelte van de oorschelp om een slagtand van een luipaard in het oor te kunnen dragen. Zij gaven niet om tatoeages, maar de meisjes werden uitgebreid getatoeëerd. Daarmee werd al op zestien jarig leeftijd begonnen, al was er geen speciale ceremonie aan verbonden. De benen werden van de tenen tot aan de dijen versierd met een ragfijn patroon van stippen en lijnen, zodat het net lijkt op een paar kousen. In die dagen werd een rok van boombast gedragen met een split aan de zijkant die zicht gaf op het schichtige patroon op de dijbenen.

Mijn gids Peter schaamt zich er voor zijn 80-jarige moeder te vragen haar sarong op te tillen zodat we kunnen zien tot hoever op het been ze getatoeëerd is. Iedere ochtend tegen zessen, ruim voor ik opsta, vertrekt ma naar haar rijstveldje. Tot ver over haar knieën staat ze gebogen in het water om de troep en het onkruid uit het water te halen en het veld zo klaar te maken voor het planten van de nieuwe rijst. Tachtig is ze nu, meer dan 60 jaar geleden verliet ze haar dorp om te trouwen. ‘Als je geen tatoeages en uitgerekte oorlellen had, vond niemand je mooi. Dan kon je geen echtgenoot vinden’ zegt ze. In het naburig dorp Pa’ Lungan vind ik een oudere dame bereid haar rok voor me op te tillen: de fijne patronen lopen iets over de knie in schichten uit. Sophia onderhandelt als een echte marktkoopvrouw, ze laat haar knieën pas zien, als we een prijs zijn overeengekomen.

Betel spugende vrouwen in Belaga

Via de oude zandwegen van de houtkappers trek ik per 4WD dwars door het regenwoud vanaf de kust naar Belaga in het binnenland. Het is bedrieglijk groen, alsof er nooit bulldozers, vrachtwagens en kettingzagen kilometers lange boomstammen hebben omgekapt en wegsleept. Belaga is het gebied van de Kayan, die oorspronkelijk afkomstig zijn van de Apo Kayan, het hoogplateau in Kalimantan aan de Kayan rivier. De Nederlandse arts A.W. Nieuwenhuis in 1893 voelde zich zo thuis bij de Kayan dat hij er enkele maanden verbleef, de taal leerde en bijna vergat waar hij voor kwam: om de bevolking op te meten. Van zijn hand is een boekwerk verschenen waarin hij de gewoonte van het tatoeëren uitgebreid beschrijft. Henk Schiffmacher deed de reis 100 jaar later over en kwam er achter dat de overheid in Indonesië zich veel moeite heeft getroost die verwerpelijke, want onrein volgens de Islam, gewoonte van de inboorlingen uit te roeien.

Van alle stammen op Borneo zijn de Kayan het meest uitgebreid en best getatoeëerd. De mannen voornamelijk uit decoratieve motieven, maar de vrouwen geloofden dat een tatoeage diende als fakkel in het hiernamaals. Zonder dit licht zouden ze voor eeuwig in het duister moeten leven. Ver van de bewoonde wereld verwijderd, hebben de Kayan nog veel van hun oude manier van leven kunnen bewaren. Langs de rivier zie je overal kelirings, houten sarcofagen op palen versierd met felgeschilderde neushoornvogels, waarin de resten van hun hoofdmannen worden bewaard. Wie in Belaga in een café aan de bazaar aan een kopi peng (ijskoffie) zit, kijkt zijn ogen uit: betel kauwende en spugende, sigaren van bananenbladeren rokende vrouwen, goud in de uitgerekte oorlellen, getatoeëerde armen, handen en voeten, komen in sarong voorbij gewandeld. Er gaat een zekere voornaamheid uit van deze vrouwen. De Kayan kenden, in tegenstelling tot de egalitaire samenleving van de Iban, een kastensysteem, dat bestond uit drie klassen: adel, het gewone volk en slaven.

Eerst was het privilege om zich te laten tatoeëren voorbehouden aan de aristocratie, later kon iedereen die het geld had het zich veroorloven. De ragfijne lijntjes en patronen op de onderarmen, de rug van de hand, de dijbenen en voeten waren echter alleen weggelegd voor de dochters en echtgenotes van hoofdmannen Slaven mochten alleen het scheenbeen of de voet laten tatoeëren. Terwijl voor adellijke dames houten blokprints werden gebruikt, moesten de slaven zich beperken tot eenvoudige ontwerpen die uit de hand werden gezet. Alleen de meisjes uit de gegoede klassen rekten hun oorlellen uit tot hoepels waarin zware gouden oorringen hingen die tot op het sleutelbeen reikten.

Dit onderscheid kenden ook de Kenyah, die in Sarawak veel verwantschap vertoonden met de Kayan, en net zo uitgebreid getatoeëerd werden. De Kenyah van het dorp Long Glat in Kalimantan vertelden elkaar dat het alleen volledig getatoeëerde vrouwen toegestaan is om in de mystieke rivier de Telang Julan te baden en de waardevolle edelstenen van de oevers te nemen. Vrouwen die gedeeltelijk zijn getatoeëerd mogen slechts op de oevers van de rivier toekijken, terwijl vrouwen zonder tatoeage niet eens in de buurt van de rivier worden getolereerd.

Van hoge komaf of niet, tegenwoordig werken de vrouwen mee op het land, planten de rijst en halen de oogst binnen. Bejong, die peper staat te vermalen op de veranda van het longhouse, met de sarong opgetrokken, zodat het net lijkt alsof ze er een broek onderaan heeft, lacht er om: ‘ik kende er een, die had ze tot hier.’ Ze slaat demonstratief op haar achterste. ‘Maar die leeft niet meer.’

Op de negende dag van de nieuwe maan

Bij het proces van tatoeëren moest een uitgebreid ceremonieel protocol worden gevolgd. Op tienjarige leeftijd werd op de 9de dag van de nieuwe maan begonnen met het aanbrengen van de eerste tatoeages op de hand en de vingers van het meisje. Om pijn, ongemak en ontstekingen te beperken deed men slechts kleine stukjes per keer en zo kon het drie tot vier jaar duren eer het geheel was gecompleteerd. De beste tijd was vlak na de oogst als de arbeidskrachten gemist konden worden. De houten blokprints werden ingesmeerd met inkt en voorzichtig op de huid gedrukt om een afdruk achter te laten. Met een ijzeren naald, gedoopt in een mengsel van roet, water en sap van suikerriet, werden de patronen in de huid gehamerd. Het meisje lag op de veranda terwijl de tatoeëerster en haar helpster op hun hurken bij haar zitten. Het proces werd voltooid als ze in de pubertijd kwam of als ze moeder werd.

Het vak van tatoeëerster was in veel gevallen overerfelijk, al kwam dat soms alleen omdat de moeder haar gereedschap aan haar dochter naliet. De vrouwen konden bij het uitoefenen van hun vak rekenen op bescherming van de geesten, die gunstig gestemd moesten worden gestemd met offerandes. Tijdens het proces werd het eten voor de artiest gekookt door de ouders van het meisje. Het was gebruikelijk om te betalen voor de verleende diensten met glazen kralen, de malat, een kort zwaard, gongs en kleden. Als de betaling niet vooraf plaats vond, kon dit het meisje duur komen te staan. Er mocht niet getatoeëerd worden, als een familielid van het meisje overleed of als er een lijk op de veranda van het longhouse lag. In bepaalde gebieden gold een verbod op tatoeëren als iemand droomde over vuur, bloed of overstromingen.

In de jaren zestig reisde de Amerikaanse onderzoekster Sharon Thomas in dit gebied rond en trof geen jonge vrouwen meer aan die het ambacht van tatoeëerster aan het leren waren. Sommigen hadden zich bekeerd tot het christendom en daarmee het oude bijgeloof en animistische gebruiken afgezworen. Een enkeling was moslim geworden en schaamde zich om te vertellen over de heidense gebruiken. Des te verbazingwekkender is het om te zien hoeveel vrouwen ook vandaag de dag nog getatoeëerd zijn.

Ultieme souvenir

De diepere betekenis mag dan verloren zijn gegaan, tattoos zijn nog steeds populair onder de plaatselijke bevolking zo bleek tijdens de Tattoo Convention in 2002. Terug in de hoofdstad van Sarawak, Kuching is het druk in de tattoo studio van Borneo Headhunters, waar een toeriste uit Canada een traditionele Iban tattoo met de hand door Ernesto laat zetten. Tijdens het tatoeëren biggelden tranen over de wangen van Christa, die eerst zo’n grote mond had. Het is snel vergeten als ze in de spiegel kijkt naar de bunga trung op haar onderrug: ‘Fucking awesome.’ Een tattoo is het ‘ultieme souvenir’ van Borneo. En dat grijpt weer terug op de oorspronkelijke betekenis die de koppensnellers aan tatoeages toekenden.

Referenties

Harrison, Tom: “World Within. A Borneo Story”, Oxford University Press, Oxford, 1986.

Hose, Charles and William McDougal: “The Pagan Tribes of Borneo. A description of their physical, moral and intellectual condition with some discussion of their ethnic relations. Volume 1 and 2”, MacMillan and Co., London, 1912.

Nieuwenhuis, A.W: “In Centraal Borneo. Een reis van Pontianak naar Samarinda”, E.J. Brill, Leiden, 1900.

Schiffmacher, Henk: “De grote Borneo-Expeditie”, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996.

Thomas, Sharon: “Women’s Tattoos of the Upper Rejang”, The Sarawak Museum Journal, Vol. XVI No. 3233, Government Printing Office, Kuching, 1968.


 

Gaatjes! Mannen met oorbellen

 

Opeens waren ze er. Mannen met oorbellen. Eerst een handjevol, met hun sieraad steels achter een gordijn van haren. Veertig jaar later is in Amsterdam zelfs een rechter met een oorbel gesignaleerd. Alle aandacht voor tribale vormen van piercing heeft doen vergeten dat het doorboren van de oorlel diep is geworteld in de Europese beschaving. Ook bij mannen. Een verhaal over het gezwel van Rembrandt, het hoofd van Karel I, over revolutionairen, muzikanten, travestieten en godvrezende vissers.

De Kruisdraging van Jeroen Bosch is één van de bizarste schilderijen die ik ken. Jezus heeft zijn ogen neergeslagen voor de griezels om hem heen. Verwrongen koppen, opengesperde ogen en piercings, maffe piercings. De oorbel van de man achter Jezus valt het meest op. Maar het zijn vooral de wang- en kinpiercings van de twee mannen in het donker, met kettinkjes en bellen behangen, die verbazing wekken. De Bosch-kenners die ik spreek, zeggen dat er niets bekend is over het hoe en waarom van de piercings op het schilderij. De Kruisdraging is één van de oudste afbeelding in de Lage Landen waarop mannen en vrouwen met oorbellen zijn afgebeeld. Vrouwen met oorbellen zijn in het klassieke Griekenland en Rome een alledaags verschijnsel,  en sporadisch dragen ook mannen oorbellen. In Merovingische graven in België, Frankrijk en Duitsland zijn vrouwen- en mannenoorbellen gevonden. Maar tussen de 11e en 15e eeuw verdwijnt de oorbel bijna volledig uit de westerse wereld.

RENAISSANCE

Vanaf de 15e eeuw verschijnen er weer mannen en vrouwen met oorbellen op Spaanse en Italiaanse schilderijen. Vaak gaat het om mythische dames uit de oudheid. En bij de mannen om ‘oosterlingen’ of Moren. Rond 1450 zien we voor het eerst dat de donkerste van de drie Wijzen uit het Oosten met een oorbel wordt afgebeeld. Mogelijk dat Bosch heeft geredeneerd: oosterlingen doorboren hun oorlellen, de goddeloze lieden die Onze Lieve Heer hebben gekruisigd bestaan het zelfs om dat te doen met hun wangen en kin. Het blijft giswerk. Verder dragen zwarte bedienden op schilderijen vanaf deze tijd vaak oorbellen. De neger met oorbel zou een hardnekkige stereotype blijken. Van de gaper boven een apotheekdeur en  Zwarte Piet, tot het negertje uit de DubbelFris-reclame. De herintroductie van de oorbel in de renaissance is tot twee bronnen te herleiden. Enerzijds de hernieuwde belangstelling voor de oudheid. Anderzijds de ontdekkingsreizen, de handel met verre landen en de invloed van de Moorse en Ottomaanse cultuur. Kortom, met de westerse fascinatie voor vreemde culturen. Hoewel de term exotisme meestal wordt geassocieerd met de 19e eeuw, kent ook de nieuwsgierige renaissance-mens al de neiging tot romantisering van het uitheemse.

DAMESOREN

Over de dames kunnen we kort zijn. De entree van de oorbel gaat gelijk op met verdwijnen van de middeleeuwse gewoonte om damesoren te bedekken met haar, hoofddeksels of hoge kragen. De opkomst van een rijke burgerij democratiseert het dragen van sieraden. Aan het einde van de 16e eeuw waait de nieuwe mode vanuit Zuid-Europa naar het noorden. Vanaf ongeveer 1620 draagt het merendeel van de door Hollandse meesters geportretteerde vrouwen en meisjes –meestal rijke burgers- peervormige parels aan de oren, zogenaamde ‘peerpeerls’. Sinds 1600 zijn oorbellen bij Europese vrouwen nooit helemaal uit het modebeeld verdwenen. Voor de mannen is de Tiroler ridder en minnezanger, Oswald von Wolkenstein, de onbetwiste pionier. In een lied beschrijft hij hoe de Koningin van Arragon hem in 1411 gaatjes in de oren prikt en hem twee oorringen schenkt. Een muzikant met oorbellen. Von Wolkenstein zet de toon van een duurzame trend. Eén van de bekendste oorbeldragers is William Shakespeare. Op het enige portret dat tijdens zijn leven is gemaakt (1610) draagt hij een blinkende ring in het linkeroor. Eerder al droegen de edele ontdekkingsreizigers Walter Raleigh en Francis Drake oorbellen, waarmee zij aan de wieg stonden van het stereotiep beeld van de beoorbelde piraat. Curieus is de geschiedenis van Karel I (1600-1649). De koning van Engeland staat op diverse portretten met een parel in zijn linkeroor. Ooggetuigen hebben beschreven dat Charles vlak voor zijn onthoofding zijn mantel, wanbuis en sieraden afdoet. Charles’ oorbel heeft deze definitieve vorm van body manipulation overleefd en bevindt zich nog altijd in een Engelse privécollectie.

REMBRANDT VAN RIJN

Mannen met oorbellen, waar ook ter wereld, zouden in Rembrandt van Rijn een aantrekkelijke schutspatroon vinden. Op zeker acht zelfportretten tussen 1629 en 1645 heeft Rembrandt zichzelf afgebeeld met oorbel. Maar wil dat zeggen dat hij ook echt oorbellen droeg? Waarschijnlijk wel. Op de portretten tussen 1629 en 1639 is hij telkens te zien met een (voor de 17e eeuw ouderwetse) gevederde baret, met een helm, met een tulband. Ook Rembrandts leerling Govert Flinck heeft in 1635 een herder met fluit en oorbel geschilderd, waarvoor Rembrandt vermoedelijk model heeft gestaan. Als Rembrandt zich alleen verkleed als ‘oosterling’ met oorbel had afgebeeld, had je kunnen vermoeden dat de schilder voor de gelegenheid iets aan zijn oor klemde, of er een oorbel bij fantaseerde. De kostuumhistorica Marieke de Winkel weet in haar onderzoek naar de kleding in Rembrandts werk weinig te vertellen over de oorbellen. Maar razend interessant is wat zij vertelt over ’s meesters kleedgedrag. Rembrandt zou zich al hebben gedragen als een echte bohémien. Een tijdgenoot van Rembrandt (Filippo Baldinucci) beschrijft dat Rembrandt altijd slordig en smerig gekleed gaat, wat ook in de 17e eeuw als een vorm van onaangepastheid wordt gezien. Het is verleidelijk om een stapje verder te gaan. Aanvullend bewijs kwam onlangs van de Britse KNO-arts Ben Cohen die in het Journal Of The Royal Society Of Medicine een verklaring gaf voor de abnormaal dikke rechteroorlel op Rembrandt’s zelfportretten. Het gaat om een ‘simple abscess’ of een ‘dermoid cyst’, het niet ongebruikelijke gevolg van een oor-piercing die is gaan ontsteken, aldus de arts.

Eén ding staat vast: Rembrandt is gefascineerd door oorbelletjes. En niet alleen bij vrouwen. (Zowel zijn echtgenote Saskia als zijn latere vriendin Hendrickje portretteert hij met oorbellen.) In 1624 of 1625 –Rembrandt is nog geen twintig- schildert hij ‘De Hoofdoperatie’ en ‘De Brillenverkoper’ waarop de ongure hoofdfiguren oorbellen dragen. Ook de muzikant met oorbel duikt bij Rembrandt op. De basgambas-speler van het musicerend gezelschap uit 1626 draagt onder zijn tulband oorbellen. ‘Man met Pools kostuum’ (1637) is nog een mooi voorbeeld.

FRANSE REVOLUTIE

De Franse Revolutie gaat gepaard met een ingrijpende verandering van de mannelijke stijl, een mode-revolutie waarvan de effecten vandaag de dag nog zichtbaar zijn. Voor de kleding speelt men leentjebuur bij de volksdracht van schippers, matrozen, vissers en boeren. Men draagt korte jasjes en de lange broek zou de kniebroek bijna voorgoed verdrijven. De nieuwe mode en de nieuwe (pruikloze) haardracht wordt in veel gevallen gecombineerd met gigantische oorringen in beide oren. Men denkt dat de revolutionairen deze oorringen –net als de nieuwe broekmode- hebben afgekeken van matrozen. Revolutionairen, Franse en Fransgezinde militairen, van hoog tot laag, vormen de oorbel-voorhoede. Beroemde voorbeelden zijn de zwager van Napoleon en koning van Napels, Joachim Murat,  en Maximiliaan I, Joseph koning van Beieren (1756-1825), beide aanhangers van de Revolutie.Tientallen jaren blijven fikse oorringen, terzijde gestaan door al even flinke bakkebaarden, in de mode. Niet alleen in Frankrijk maar ook in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. De nieuwe zelfbewuste burgers, kunstenaars en studenten volgen in het begin van de 19e eeuw de trend. Het is in deze periode dat in Oostenrijk het oorknòpje zijn intrede doet. Wat aan het begin van de 19e eeuw geldt als teken van vooruitstrevendheid, wordt in de tweede helft van de eeuw geassocieerd met oubolligheid en achterlijkheid. Het verschijnsel van de oorbeldragende man buitelt andermaal de sociale ladder af. Net zoals eerder gebeurde na de vorstelijke hoogtijdagen rond 1600.  De oorbel-onderzoeker Leopold Schmidt stelde in 1947 dat het verschijnsel slechts bleef voortbestaan in geïsoleerde beroepsgroepen zoals vissers, schipper, koetsiers en –hier en daar- in de streekdracht.

SCHIPPERS EN VISSERS

Het onderzoek van H.J.A. Dessens voor de tentoonstelling Schipperoorringetjes in het Rotterdams Maritiem Museum (1989) is een feest voor de geïnteresseerde. Dessens heeft uit verschillende musea en bij particulieren oorringetjes verzameld van 19e en vroeg-20e eeuwse Nederlandse binnenschippers en vissers. Ook  Zeeuwse boeren, met name op Walcheren, dragen in deze periode oorbellen. Dessens legt een bom onder twee populaire mythes. Aan het bekende verhaal dat varensgasten oorbellen droegen, zodat er –in geval van verdrinking- een christelijk begrafenis van kon worden bekostigd, hecht hij weinig waarde. In ieder geval  voor binnenvaartschippers een tamelijk onzinnige verklaring. Maar ook de verklaringen dat een oorbel als amulet het gezichtsvermogen zou verbeteren, of een medicinale functie had tegen oogkwalen of chronische hoofdpijn –verklaringen die al in oudheid klonken, en die door kerkvader Augustinus al als bijgeloof werden bestempeld- kent hij niet veel gewicht toe. ‘Naar mijn mening was het dragen van mannenoorringetjes een gebruik dat als achtergrond hoofdzakelijk ‘de sierraadfunctie’ had.’ Zo luidt zijn weinig verheven conclusie. Het verschijnsel verdwijnt bij de generaties die na 1880 zijn geboren. Plotseling geldt het dragen van oorringetjes door mannen als ‘verwijfd’.

HOMOSEKSUELEN EN POPMUZIKANTEN

Wie zijn de wegbereiders voor de glorieuze comeback van de man met oorbel vanaf het midden van de jaren zestig van de 20ste eeuw? Welke groep mannen is verantwoordelijk voor de herintroductie van de man met oorbel in het straatbeeld, niet alleen in de westerse wereld, maar in de hele global village? Zijn het homoseksuelen of zijn het popmuzikanten? Van cruciale betekenis is wat de legendarische rock ‘n’ roll-drummer Charles Connor, de man die gedurende de jaren vijftig in Little Richards begeleidingsband speelt,  vertelt in een uitgebreid interview. ‘Richard zei: ‘Ik wil dat jullie je gedragen en kleden als ‘a bunch of gay guys’. En ik wil dat jullie oorringen dragen, en ‘pancake makeup’, en je haren krullen, en dat soort dingen. We waren niet gay. Richard was altijd bi.’ Alhoewel het dus om een verkleedpartij gaat, en de bandleden waarschijnlijk oorclips dragen, kan deze act worden gezien als de voorbode. Het is verleidelijk om de parallel te trekken met Rembrandt, waarbij het dragen van een oorbel eveneens begon met een verkleedpartij. Ook van Jimi Hendrix, die begin jaren zestig in dezelfde kring van zwarte rhythm ‘n’ blues/rock ’n’ roll-artiesten verkeert, wordt gezegd dat hij in 1964 of 1965 al een oorringetje droeg (Bobby Womack in een interview). Homo of popmuzikant? Het onderscheid tussen beide groepen is niet altijd even scherp te trekken. Zeker niet in de dagen van de Seksuele Revolutie.

De echte Johannes de Doper van de oorbeldragende popmuzikant echter is de Amerikaanse banjospeler Derroll Adams. De getatoeëerde en beoorringde folkmuzikant Adams past in alle opzichten in het archetypische sjabloon van de reizende muzikant. In de Muziek Express van oktober 1966 vertelt de 19-jarige Donovan, die grote bekendheid geniet met zijn mengeling van beat en folk,  dat hij zijn oorring heeft gekregen van de  56-jarige Derroll Adams. Het is aardig om te zien dat de oorbel zijn intrede doet in de popwereld op zulke belangrijke crossroads. De grote invloed van Little Richard en Jimi Hendrix -muzikaal èn uiterlijk- behoeft geen toelichting. Derroll Adams is een belangrijke inspirator voor de nieuwe lichting folkmuzikanten, van Bob Dylan, Donovan tot onze eigen CCC Inc. Dylan staat op zijn beurt aan de wieg  het revolutionaire denkbeeld dat een popmuzikant niet slechts de vertolker is van een lied, maar dat hij als kunstenaar vorm geeft aan zijn hoogstpersoonlijke gedachten. De oorbel van de popmuzikant accentueert dit beeld van de popmuzikant als kunstzinnige individualist. Precies zoals –de verleiding is niet te weerstaan- Rembrandt drie eeuwen eerder zijn individualisme onderstreepte.

 JIMI HENDRIX, WOODSTOCK EN GOLDEN EARRING

Van groot gewicht voor de verspreiding van het beeld van de beoorbelde man is Jimi Hendrix’optreden op het Woodstock Festival. Tijdens zijn optreden op 17 augustus 1969 draagt hij een rode haarband en flinke diamanten in beide oren, het soort oorbellen dat nu weer erg populair is bij r&b-zangers en rappers. Na Woodstock gaat het hard. Keith Richards loopt in 1970, en misschien al in 1969 met oorbellen. Robert Plant, Nick Mason, Ginger Baker, Rod Stewart, en  vele anderen volgen. In Nederland draagt George Kooijmans van The Golden Earring als eerste bekende popartiest een oorbel, in ieder geval al in december 1972 op een foto in de Muziek Express. Wat de inburgering ervan vergemakkelijkt, is dat een oorring, begin jaren zeventig, een geheim is dat je als jongen onder je haar draagt. Je oma heeft het niet eens in de gaten. Het oorringetje wordt, net als andere eigentijdse mode-uitingen als de spijkerbroek en kleurige kleding, snel opgepikt door homo’s. De oorbellen van George Baker, Jan Keizer en de vele mannen met oorbellen in het hedendaagse Volendam doen vermoeden dat er maar een klein vonkje voor nodig is geweest om mannen in het vissersdorp weer oorbellen te laten dragen.

VAN GLAMROCK TOT DE HOOGSTE KRINGEN

De opkomst van de glam- of nichtenrock, met het bijbehorende androgyne imago en openlijk beleden bisexualiteit, betekent een nieuwe stimulans voor het dragen van een oorbel: David Bowie, Alice Cooper, Elton John, enzovoort.  Met de komst van punk, eind jaren zeventig, is de geest uit de fles. Het is de tijd van de gekke oorbel: veiligheidsspelden, paperclips (Johnny Rotten) en plastic oorbellen. Voor het eerst dragen mannen weer oorringen in beide oren. Zowel mannen als vrouwen prikken een hele rij gaatjes in één oor. Een oorbel gaat door het neusvleugeltje, een veiligheidsspeld door de wang. Alhoewel dat laatste meestal nep was, plaveit punk de weg voor de opkomst van de piercing. Eerst nog in ondergrondse lagen van de pop- en sm-/homoscene. In de jaren ’90 bij je buurmeisje. En ondertussen heeft het verschijnsel van de beoorbelde man zich uit over verschillende lagen van de bevolking uitgebreid. Niet alleen onder muzikanten, kunstenaars en de diverse subculturele jongens als punks, krakers, alto’s, skinheads, gabbers, bikers, b-boys. Ook stratenmakers, bouwvakkers, en later topsporters en politiemannen dragen oorbellen. En de laatste jaren wordt de man met oorbel ook in de hoogste kringen gesignaleerd.

Tekst: Fanta Voogd

Foto’s: diverse bronnen  oa Internet Via Google.nl

Lijst met gebruikte Boeken en Nationaal Pop Instituut te Amsterdam